Staatssecretaris berust in niet-belasten verhoging uitkering hulpbehoevende

Datum: 24 mei 2022

X deed aangifte IB 2019 van zijn uitkering van het UWV met een verhoging wegens hulpbehoevendheid. X ging daarna in beroep en stelde dat de verhoging wegens hulpbehoevendheid ten onrechte tot zijn inkomen was gerekend. Van het brutobedrag van de uitkering bleef na belastingheffing en verdiscontering van de nadelige inkomenseffecten volgens X minder dan 10% over, en hierdoor kon hij geen of minder aanspraak maken op inkomensafhankelijke regelingen, zoals de zorg- en huurtoeslag. Volgens X was sprake van een individuele en buitensporige last. Rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van X ongegrond, maar hij ging met succes in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde vast dat X van de bruto-verhoging wegens hulpbehoevendheid van € 5.228 uiteindelijk slechts € 247 netto overhield. Volgens het Hof kon deze, door de keuze van de wetgever voor X veroorzaakte last niet anders dan als buitensporig worden bestempeld. Het Hof besloot rechtsherstel te bieden door de verhoging voor de heffing van de IB niet tot het belastbare inkomen uit werk en woning te rekenen, maar wel tot het verzamelinkomen. Met het vervallen van de IB-heffing over de verhoging werd volgens het Hof aan X een redelijke tegemoetkoming verleend. Met het handhaven van het verzamelinkomen werd invloed op de inkomensafhankelijke regelingen (en mogelijke dubbele compensatie) voorkomen. De staatssecretaris heeft besloten niet in cassatie te gaan. In een toelichting laat hij weten dat de Nationale Ombudsman in het verleden al had gesignaleerd dat het effect van inkomensafhankelijke regelingen op de verhoogde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen soms zodanig is dat van de verhoogde uitkeringen niets of nagenoeg niets overblijft om die kosten van langdurige hulpbehoevendheid te kunnen betalen. In zoverre is de staatssecretaris het met het Hof eens dat wanneer minder dan 10% van de verhoogde uitkering resteert, er sprake is van een buitensporige last. De gekozen oplossing – hoewel volgens de staatssecretaris beleidsmatig niet de meest gelukkige – van het Hof, voor het bieden van rechtsherstel leidt ertoe dat 42% resteert. Aangezien de inspecteur had aangeboden om mee te werken aan een oplossing waarin 35% resteerde, acht de staatssecretaris die uitkomst ook cijfermatig acceptabel. Dat het Hof de oplossing zoekt in het fiscaal onbelast laten van de verhoogde uitkering leidt ertoe dat de oplossing geheel aan de kant van de belastingheffing wordt gezocht en niet aan de kant van de diverse inkomensafhankelijke regelingen. In overleg met zijn collega’s van SZW en VWS zal de staatssecretaris daarom zoeken naar een evenwichtige definitieve regeling. Voor de periode waarin nog geen definitieve oplossing is gevonden, legt de staatssecretaris zich vooralsnog neer bij de door het Hof in deze zaak gekozen aanpak. Ook in vergelijkbare zaken zal de Belastingdienst op deze manier voorlopig een tegemoetkoming bieden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.