Klussenbedrijf met maar één opdrachtgever in startjaar wel IB-onderneming

Datum: 13 mei 2022

X exploiteerde vanaf maart 2015 een klusbedrijf. Hij ontving op zijn aanvraag een VAR-winst uit onderneming (WUO). In augustus 2018 stelde de inspecteur vragen over zijn aangifte IB 2015, omdat X in 2015 slechts voor één opdrachtgever had gewerkt. De inspecteur merkte de inkomsten uit het klussenbedrijf vervolgens aan als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). X ging in beroep en stelde dat de VAR-WUO de latere (her)beoordeling van zijn werkzaamheden verhinderde. Rechtbank Noord-Nederland (zie FutD 2021-0168) was het daarmee eens. Een eenmaal afgegeven VAR-WUO was in de sfeer van de Wet IB 2001 bindend voor de werkzaamheden waarop die VAR zag. X had de VAR niet onder valse voorwendselen aangevraagd. De inspecteur ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde voorop dat een VAR alleen rechtsgevolgen had voor de IB-heffing via toepassing van het vertrouwensbeginsel. Het Hof kwam pas toe aan het beoordelen of X aan de VAR-WUO het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen als het Hof niet al op grond van een inhoudelijke beoordeling had beslist dat sprake was van WUO. Het Hof besliste vervolgens op basis van die inhoudelijke beoordeling dat al in 2015 voor rekening van X een onderneming werd gedreven. Hij liep het risico van respectievelijk het wegvallen en het niet-binnenhalen van opdrachten, debiteurenrisico en aansprakelijkheidsrisico jegens opdrachtgevers. Hij had in 2015 één opdrachtgever, in 2016 twee en daarna drie. Het werken voor één opdrachtgever in het startjaar 2015 kon volgens het Hof niet los worden gezien van de door X in de jaren daarna uitgevoerde werkzaamheden voor meerdere opdrachtgevers. Het in de loop van de tijd werken voor steeds meer opdrachtgevers was een gebruikelijke gang van zaken bij een startende ondernemer. Het Hof vond het aannemelijk dat X van aanvang af de intentie had gehad om zijn activiteiten verder uit te breiden tot meerdere opdrachtgevers en dat X, gelet op de aard van de activiteiten, door mond-tot-mond reclame en door het leggen van contacten bekendheid aan zijn werkzaamheden had gegeven en dat dit had geleid tot het verwerven van nieuwe opdrachten. Het Hof verklaarde het hoger beroep van de inspecteur ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022