Vpb-correcties kunsthandel fors lager door onredelijke schattingen fiscus

Datum: 13 mei 2022

A hield via BV B alle aandelen in BV X die een internationale kunsthandel exploiteerde. Hoewel zij daartoe was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, deed BV X geen aangifte voor de Vpb over 2015 tot en met 2017. Verder had zij naar aanleiding van eerdere geschillen met de inspecteur over 2012 tot en met 2014 twee vaststellingsovereenkomsten (VSO’s) gesloten met de inspecteur, waaronder een VSO voor de administratieplicht voor de jaren vanaf 2015. De inspecteur legde in september 2019 een ambtshalve aanslag Vpb op over 2015 naar een belastbaar bedrag van € 100.000. Toen BV X kort daarop alsnog een aangifte over 2015 indiende naar een verlies van € 194.228 stelde de inspecteur een boekenonderzoek in. De inspecteur concludeerde naar aanleiding daarvan dat de administratie van BV X niet voldeed aan de in de VSO gemaakte afspraken en legde een navorderingsaanslag Vpb op over 2015 naar een belastbaar bedrag van € 565.585 en aanslagen over 2016 en 2017 naar een belastbaar bedrag van respectievelijk € 750.000 en € 500.000. BV X ging in beroep. Rechtbank Gelderland besliste dat BV X in geen van de jaren 2015, 2016 en 2017 de vereiste Vpb-aangifte had gedaan, zodat de bewijslast moest worden omgekeerd en verzwaard en BV X moest bewijzen dat de belastingaanslagen te hoog waren. Dat liet onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen moest uitgaan van een redelijke schatting. De inspecteur had voor de redelijke schatting verwezen naar het controlerapport, maar dat was volgens de Rechtbank summier en onderbouwde de aangebrachte winstcorrecties niet. Het rapport had alleen betrekking op 2015 en volgens de inspecteur was het gebaseerd op een steekproef uit de inkoop- en verkoopadministratie en de voorraadlijst. De Rechtbank vond het volledig buiten beschouwing laten van de inkoopwaarde van de omzet van € 639.813 voor 2015 op geen enkele manier onderbouwd, zodat voor 2015 geen sprake was van een redelijke schatting. Hierdoor waren ook de op de schatting van 2015 gebaseerde schattingen voor 2016 en 2017 niet redelijk omdat de inspecteur die niet anderszins had onderbouwd. Omdat de inspecteur bij de controle over 2015 een aantal tekortkomingen in de inkoop-, de verkoop- en de voorraadadministratie had gesignaleerd die door BV X niet waren weerlegd en gelet op alle dossierstukken en de standpunten die partijen over en weer hadden ingenomen, bepaalde de Rechtbank de winst van BV X in 2015, 2016 en 2017 in goede justitie op € 100.000 per jaar. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag over 2015 en verminderde de aanslagen Vpb 2016 en 2017 tot een bedrag berekend naar een belastbare winst van € 100.000 per jaar.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022