Pensioen medewerker internationale organisaties volledig belast in box 1

Datum: 12 mei 2022

X was tot 1 januari 2005 in dienst bij B. Onderdeel van zijn functie was het optreden als contactpersoon namens B met de ministeries van Buitenlandse Zaken, Financiën, Economische Zaken en Defensie. Verder was hij penningmeester van C en gedelegeerde voor Nederland bij achtereenvolgens D, de overkoepelende organisatie voor gepensioneerden van B, E, F, G, H, I en J. X woonde ongeveer 25 jaar samen met mevrouw Y. Beiden genoten een pensioen van B. Mevrouw Y was ook lid van D. Sinds de Hoge Raad in een arrest van 16 januari 2009 had beslist dat het pensioen van een VN-griffier bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag moest worden gesplitst in een belast en een onbelast deel, was X, al dan niet samen met de gepensioneerdenvereniging van I en K, actief geweest om een regeling te bewerkstelligen voor het belasten van de pensioenen van B en I. Hij was hierover in contact met de eerder genoemde ministeries. De inspecteur legde X en mevrouw Y aanslagen IB op over 2013 tot en met 2015 waarbij het pensioen volledig in box 1 werd belast. X en mevrouw Y gingen in beroep en stelden dat hun pensioen belast moest worden overeenkomstig de afspraak die was gemaakt met belastingambtenaar P van het kantoor Hoorn. Volgens X en mevrouw Y had die het vertrouwen gewekt dat het pensioen conform de ingediende aangiften zou worden belast. Rechtbank Noord-Holland was het met X en mevrouw Y eens dat een splitsing van de genoten uitkering moest plaatsvinden, maar dat daarvoor wel was vereist dat zij concrete, verifieerbare gegevens overlegden. Dat hadden zij niet gedaan, zodat de heffing over de genoten pensioenuitkeringen op grond van artikel 3.82, letter c, Wet IB 2001 volledig tot het belastbare inkomen uit werk en woning moest worden gerekend. De Rechtbank verwierp hun beroep op het vertrouwensbeginsel. X ging in hoger beroep, maar Hof Amsterdam bevestigde de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof besliste dat de pensioenaanspraak van X nooit de loonsfeer had verlaten en de pensioenuitkeringen die hij in 2013 tot en met 2015 had genoten daarom (belastbaar) loon vormden op grond van artikel 3.81 Wet IB 2001 in verbinding met artikel 10 Wet LB 1964. Aan de uitbreiding van het loonbegrip in artikel 3.82, letter c, Wet IB 2001 werd niet toegekomen, zodat ook niet werd toegekomen aan de vraag of aannemelijk was of over de aanspraken een heffing naar het inkomen had plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkwam met de LB of de IB. De uitkeringen moesten daarom als belastbaar inkomen uit werk en woning in box 1 worden belast, tenzij strikte wetstoepassing achterwege moest blijven op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar daarvan was volgens het Hof geen sprake. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022