Belastingrente beperkt door doel en strekking regeling

Datum: 21 januari 2022

De gemachtigde van de op Malta woonachtige X deed in juli 2017 met een eigen softwarepakket aangifte IB over 2015. Daarin gaf hij geen box 1-inkomen aan, maar wel € 89.126 aan inkomsten waarover Nederland geen IB mocht heffen. In de rubriek “59 Verzamel- en drempelink. Belpl. volgens ingediende aangifte” stond een box 1-inkomen van € 107.081. De inspecteur legde de aanslag op conform de aangifte naar een negatief box 1-inkomen van € 89.126 en stelde op hetzelfde aanslagbiljet een box 1-verlies vast van € 89.126. De inspecteur verrekende dit verlies in 2018 met het box 1-inkomen van 2012 en verminderde de aanslag 2012 met € 43.710. Toen X vervolgens een nieuwe aangifte over 2015 indiende naar een box 1-inkomen van € 107.081 en een elders belast inkomen van € 89.126, corrigeerde de inspecteur de verrekeningsbeschikking en legde hij een navorderingsaanslag op over 2012 van € 43.710 en berekende daarbij € 9.438 belastingrente over de periode 1 juli 2013 tot en met 2 februari 2019. X ging in beroep tegen de berekende belastingrente. Hof Den Bosch stelde X op basis van doel en strekking van de belastingrente-regeling in het gelijk. Het Hof besliste dat hij op grond van artikel 3:1 Awb het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, lid 2, Awb, niet mocht toetsen. Dat nam echter niet weg dat een wettelijke regeling moest worden geïnterpreteerd met inachtneming van doel en strekking van die regeling. Vooral als de uitkomst van de letterlijke toepassing van de wet leidde tot disproportionele gevolgen, moest de rechter zich afvragen of de wetgever deze situatie had voorzien en of hij deze gevolgen ook had willen aanvaarden. Het Hof besliste dat dat niet het geval was geweest. De wetgever had met de regeling van de belastingrente willen aansluiten bij de verzuimrenteregeling van de Awb. De hoofdregel daarbij was dat rente werd berekend als sprake was van een verzuim van ofwel de belanghebbende ofwel het bestuursorgaan. Die verzuimgedachte was ook leidend in de nieuwe regeling van belastingrente. Als sprake was van een verzuim werd in beginsel rente in rekening gebracht. Daarmee was echter nog niets gezegd over de omvang van de in rekening te brengen rente. Als de wetgever volledig zou hebben aangesloten bij de verzuimrenteregeling van de Awb, zou alleen rente moeten worden berekend over de periode waarin de schuldenaar in verzuim was geweest. Dan zou volgens het Hof in dit geval de rente moeten worden vastgesteld op € 809 omdat X tot het tijdstip waarop hij de teruggaaf die voortvloeide uit de carry-backbeschikking ontving, niet in verzuim was. De wetgever had kennelijk niet volledig aangesloten bij de verzuimrenteregeling, omdat de periode waarover belastingrente werd berekend zelfstandig in de wettelijke regeling werd geformuleerd. De rechter kon daarom niet zomaar afwijken van de uit die wettelijke regeling volgende renteperiode. Dat nam volgens het Hof echter niet weg dat dit een bijzonder geval was omdat op de teruggaaf als gevolg van de carry-backbeschikking geen belastingrente werd vergoed, terwijl uitgaande van de juistheid van de carry-backbeschikking het bedrag gedurende een bepaalde tijd (achteraf gezien) ten onrechte op de rekening van de Belastingdienst had gestaan. De keuze van de wetgever om in dat geval geen rente te vergoeden was onder de oude regeling van de heffingsrente vooral ingegeven door praktische argumenten waarvan niet helemaal duidelijk was of die ook een rol hadden gespeeld bij de voortzetting hiervan onder de belastingrenteregeling. Die keuze van de wetgever was volgens het Hof op zich nog wel te begrijpen, maar als vervolgens die teruggave werd teruggedraaid werd er wél belastingrente berekend over een vrij lange periode omdat het vaak over oude belastingjaren ging. Die rente werd dan berekend over een periode waarin het bedrag van de teruggaaf op een rekening van de Belastingdienst had gestaan en de Belastingdienst dus geen rentenadeel had geleden. Het Hof besliste dat die combinatie van omstandigheden waarbij in het ene geval geen belastingrente werd vergoed en bij het terugdraaien van de verliesverrekening wél belastingrente werd berekend, niet door de wetgever was voorzien. In het bijzonder vanwege de onevenwichtigheid die uit deze zaak bleek, waarbij de belastingrente werd vastgesteld op € 9.438, terwijl het werkelijke rentevoordeel € 809 bedroeg, moest deze onevenredige renteberekening worden gecorrigeerd. Het Hof beperkte daarom de belastingrente tot de periode waarin X de teruggaaf van de belasting over 2012 als gevolg van de verrekening van het verlies uit 2015 ten onrechte tot zijn beschikking had gehad en stelde deze vast op € 809. (Wij ontvingen deze uitspraak van Meester & Kuiper Accountants en belastingadviseurs te Hilversum, -red.)

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022