Winstgrens voor subjectieve Vpb-vrijstelling niet naar rato

Datum: 21 januari 2022

De in 2009 opgerichte vereniging voor stylisten X verrichtte zowel belaste als onbelaste activiteiten voor de Vpb. In 2010 bedroeg haar belastbare winst € 9.884, in 2011 € 28.433 en in 2012 € 31.414 (in totaal € 69.731). De inspecteur legde over 2012 een navorderingsaanslag Vpb op naar een belastbare winst van € 31.414, omdat de vrijstelling van artikel 6 Wet Vpb volgens hem niet van toepassing was. Deze vrijstelling gold als de winst van het jaar niet meer bedroeg dan € 15.000 (eerste winstgrens), of als de winst van het jaar en van de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer bedroeg dan € 75.000 (tweede winstgrens). Volgens de inspecteur kwam X niet in aanmerking voor de vrijstelling omdat de winst van 2012 hoger was dan € 15.000 en de winst van 2012 en de daaraan voorafgaande twee jaren tezamen (€ 69.731) hoger was dan drie vijfde van de tweede winstgrens. X ging in beroep en stelde dat zij in 2012 voldeed aan de tweede winstgrens omdat de winst over een periode van maximaal vijf jaar niet meer bedroeg dan € 75.000. Rechtbank Gelderland stelde haar in het gelijk, maar Hof Arnhem-Leeuwarden was het met de inspecteur eens dat X niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling van Vpb. X ging in cassatie. De Hoge Raad besliste dat de bewoordingen van artikel 6 Wet Vpb geen aanleiding gaven om daarin te lezen dat de tweede winstgrens niet van toepassing was in gevallen waarin sinds de oprichting van het lichaam nog niet vijf (boek)jaren waren verstreken. Ook de strekking van de regeling over de tweede winstgrens gaf hiertoe volgens de Hoge Raad geen aanleiding. In artikel 6 Wet Vpb was volgens de Hoge Raad ook geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat de tweede winstgrens naar tijdsevenredigheid moest worden herleid zolang het lichaam nog niet vijf (boek)jaren bestond. Dit betekende volgens de Hoge Raad dat gedurende de eerste vijf (boek)jaren sinds de oprichting van een in artikel 6 Wet Vpb bedoeld lichaam voor elk jaar waarin de winst meer bedroeg dan de eerste winstgrens van € 15.000, moest worden vastgesteld of de winst van het lichaam van het betreffende jaar tezamen met de winst van de daaraan voorafgaande (boek)jaren meer was dan € 75.000. Zolang dat niet het geval was, was de winst onbelast. Vanaf het moment dat de tweede winstgrens werd gepasseerd, bleef in de daaropvolgende (boek)jaren de winst van het lichaam van het betreffende jaar onbelast als die winst in dat jaar niet meer bedroeg dan de eerste winstgrens van € 15.000. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van X gegrond en vernietigde de uitspraak van het Hof. 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022