Belastingadviseur verplicht om privé-agenda aan de fiscus te verstrekken; privacy niet geschonden

Datum: 20 januari 2022

X dreef een accountants- en belastingadviesbureau in de vorm van een eenmanszaak. Bij een boekenonderzoek vroeg de inspecteur X om zijn privé-agenda over 2012 tot en met 2018 te verstrekken omdat daarin ook zakelijke afspraken stonden voor het invullen van aangiften voor particulieren en het aantal door X opgegeven aangiften niet overeenkwam met het aantal aangiften dat vanuit zijn IP-adres was gedaan. Toen X de privé-agenda niet verstrekte, nam de inspecteur een informatiebeschikking in verband met nog op te leggen navorderingsaanslagen IB en naheffingsaanslagen BTW over 2013 tot en met 2015. X ging in beroep, maar Hof Den Bosch besliste net als Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de inspecteur terecht een informatiebeschikking had genomen. Volgens het Hof had de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gegevens en bescheiden die hij had gevraagd van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing, omdat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat die agenda inzicht zou geven in het aantal aangiften dat X voor particulieren verzorgde en die gegevens van belang waren voor de op te leggen (navorderings- en naheffings-)aanslagen IB en BTW. Deze inkomsten vormden anders dan X stelde wél een bron van inkomen, omdat X in de vorm van een eenmanszaak een belastingadviesbureau dreef en voor vrienden en kennissen aangiften verzorgde en daarvoor een vergoeding kreeg. Daarmee kon niet worden gezegd dat hij niet deelnam aan het economische verkeer en dat hij geen voordeel beoogde. Vervolgens besliste het Hof in navolging van de Rechtbank dat de gevraagde inzage door de inspecteur in de privé-agenda in beginsel wel een inmenging in het recht van X op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM opleverde, maar volgens het Hof was voldaan aan de voorwaarden die een inmenging konden rechtvaardigen. Aan de eerste voorwaarde van artikel 8 EVRM was voldaan, omdat de inmenging bij wet was voorzien. De wettelijke grondslag was artikel 47 AWR op grond waarvan de inspecteur kopieën van de privé-agenda van X mocht opvragen omdat deze van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing. In voorkomende gevallen zoals bij inmenging in het privéleven waarbij sprake was van het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren en/of gebruiken van gegevens kon weliswaar een meer specifieke grondslag zijn vereist, maar zo’n geval deed zich volgens het Hof hier niet voor. Vervolgens besliste het Hof dat er sprake was van een legitiem doel als bedoeld in artikel 8, lid 2, EVRM. Een maatregel waarmee werd gewaarborgd dat belasting werd betaald, was namelijk in de regel noodzakelijk in het belang van het economisch welzijn van het land. Hier deed zich geen uitzondering op de regel voor. Er was geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM omdat het opvragen van de privé-agenda volgens het Hof bovendien proportioneel was in de gegeven omstandigheden. Dat de privé-agenda niet was bewaard, kwam voor rekening en risico van X. Het Hof gaf X vier weken om alsnog te voldoen aan het informatieverzoek van de inspecteur.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022