Leiding van BV in Curaçao: dividend voor DGA niet in Nederland belast

Datum: 20 januari 2022

X bezat alle aandelen van de in Nederland opgerichte BV A. Hij emigreerde in de loop van 2005 vanuit Nederland naar Spanje. De inspecteur legde in verband met de emigratie een conserverende aanslag op. Met betrekking tot de aangifte IB 2010 sprak X met de inspecteur af dat hij zijn rekening-courantschuld bij BV A van € 363.870 in 10 jaar zou aflossen. In 2013 emigreerde X naar Curaçao. Toen uit de Nederlandse Vpb-aangifte 2015 van BV A bleek dat de schuld van X was opgelopen naar € 416.989, corrigeerde de inspecteur de aangifte IB 2015 van X met € 421.090 (gebruteerd) aan dividenduitkering in box 2. X ging in beroep en stelde dat Nederland niet mocht heffen omdat de vestigingsplaats van BV A in 2015 in Curaçao lag. Rechtbank Noord-Holland (zie FutD 2020-0942) verklaarde het beroep van X ongegrond, maar Hof Amsterdam stelde hem naar aanleiding van zijn hoger beroep in het gelijk. Het Hof vond het aannemelijk dat de plaats van werkelijke leiding van BV A in 2005 naar Spanje was verplaatst en in 2013 naar Curaçao als gevolg van de (door)emigratie van X van Spanje naar Curaçao. De inspecteur had volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de werkelijke leiding van BV A in 2015 niet werd uitgeoefend door haar formele bestuurder X op Curaçao, maar door haar in Nederland gevestigde adviseur. Het verzorgen van aangiften Vpb namens een BV, of anderszins haar fiscale belangen behartigen, was volgens het Hof immers niet gelijk te stellen met het uitoefenen van de werkelijke leiding van een BV. Als gevolg van de verplaatsing van de werkelijke leiding naar Spanje in de loop van 2005 werd BV A op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 7.5, lid 6, Wet IB 2001 gedurende tien jaar na deze datum geacht in Nederland te zijn gevestigd. BV A was dus voor de toepassing van de aanmerkelijk belangregeling ten aanzien van een buitenlandse belastingplichtige tot in de loop van 2015 fictief in Nederland gevestigd en daarna op Curaçao. Het belastbare inkomen uit a.b. betrof een verkapte winstuitdeling die was afgeleid uit het verschil tussen de daadwerkelijke stand van de rekening-courantschuld op 31 december 2015 en de stand zoals die zou moeten luiden op grond van de afspraken met de inspecteur. Aangezien dit verschil pas op zijn vroegst kon worden vastgesteld bij het einde van het kalenderjaar 2015, moest het inkomen uit a.b. volgens het Hof worden geacht te zijn genoten bij het einde van het betreffende kalenderjaar. Op dat moment was BV A niet meer in Nederland gevestigd, noch op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 7.5, lid 6, Wet IB 2001, noch op grond van haar plaats van werkelijke leiding. Nederland had dus geen heffingsrecht over het inkomen uit a.b.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022