Indirect belang geen aflopende deelneming meer: verkoopopbrengst belast

Datum: 19 januari 2022

NV X breidde op 31 december 2012 haar in 2009 verworven belang van 3,2% in bank Y uit tot 5,1%. In juni 2014 ging bank Y naar de beurs (de London Stock Exchange). NV X maakte geen gebruik van haar recht om extra aandelen te verwerven, waardoor haar belang verwaterde naar 4,3%. Op 16 augustus 2016 bracht NV X haar 4,3%-belang in in de nieuw opgerichte houdstervennootschap BV Z en verkreeg hierdoor een aandelenbelang van 4,3% in BV Z. Op 22 maart 2017 verkocht NV X haar belang in BV Z. De verkoopopbrengst die was toe te rekenen aan de periode 10 augustus 2016 tot en met 22 maart 2017 bedroeg € 7.441.343. BV X stelde dat op deze verkoopopbrengst in 2017 de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, maar de inspecteur was het daar niet mee eens. Met ingang van 10 augustus 2016 was volgens de inspecteur geen sprake meer van een aflopende deelneming als bedoeld in artikel 13, lid 16, Wet Vpb omdat indirecte belangen hier niet onder vielen. NV X ging in beroep, maar Rechtbank Den Haag stelde haar in het ongelijk. De regeling voor aflopende deelnemingen hield in dat de deelnemingsvrijstelling nog maximaal drie jaar van toepassing bleef nadat een aandelenbelang dat een deelneming was onder de 5% was gezakt. Na de inbreng in BV Z had NV X geen belang meer in bank Y als bedoeld in artikel 13, lid 16, Wet Vpb. De verkoopopbrengst was volgens de Rechtbank verkregen uit hoofde van het belang van NV X in BV Z en was geen voordeel uit hoofde van een belang van NV X in bank Y. Artikel 13, lid 16, Wet Vpb was niet van toepassing op indirecte belangen. Voor een rechtstreekse toerekening van het belang in bank Y aan NV X was volgens de Rechtbank geen plaats. Daaraan deed niet af dat BV Z alleen tussen NV X en bank Y was geschoven om daarmee een premium notering aan de London Stock Exchange te kunnen verkrijgen, dat het niet de bedoeling was de inbrengende aandeelhouders te beperken in hun economische rechten met betrekking tot hun belang in bank Y, dat de waarde van het belang in BV Z slechts werd vertegenwoordigd door de waarde van het belang van BV Z in bank Y en dat was afgesproken dat BV Z de van bank Y ontvangen dividenden onmiddellijk zou uitkeren.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022