Deelnemingsrechten teakplantage in goede justitie gewaardeerd op € 300.000

Datum: 19 januari 2022

X bezat participaties in plantages met teakbomen in Brazilië en Costa Rica die hij had gekocht van A en B voor respectievelijk € 72.700 en € 500.000. De door B uitgegeven participaties waren in 2011 ingetrokken en de daaraan verbonden rechten en verplichtingen waren ingebracht in beleggingsfonds C dat werd beheerd door beleggingsfonds D. X vermeldde in zijn aangiften IB over 2015 en 2016 een box 3-inkomen van nihil, maar de inspecteur rekende de participaties A en de aan X toegekende deelnemingsrechten in C tot het box 3-vermogen en stelde de box 3-inkomens over die jaren vast op respectievelijk € 24.749 en € 28.966. X ging in beroep en stelde dat de deelnemingsrechten in C niet tot zijn bezittingen behoorden omdat hij niet had ingestemd met de omvorming van participaties B in deelnemingsrechten in C. Rechtbank Den Haag was dat niet met X eens. Volgens de Rechtbank had X in 2015 en 2016 deelnemingsrechten in C in zijn bezit en had de inspecteur terecht de waarde van de participaties A bepaald aan de hand van de door de Vereniging voor Teakhoutparticipanten (VTP) op haar website gepubliceerde waardetabellen die onderdeel uitmaakten van een tussen de Belastingdienst en de VTP gesloten vaststellingsovereenkomst (VSO). De inspecteur had volgens de Rechtbank echter de waarden niet aannemelijk gemaakt. Aangezien Hof Den Haag met betrekking tot eerdere jaren had beslist dat de inspecteur zich voor de waardebepaling kon baseren op de waarde-overzichten van beleggingsfonds C, vond de Rechtbank dat voor de waardering per 1 januari 2015 en 1 januari 2016 niet moest worden uitgegaan van de waarde-overzichten van beleggingsfonds C, omdat aannemelijk was geworden dat die waardecijfers (veel) te hoog waren. Omdat beleggingsfonds C inmiddels failliet was, al haar bezittingen waren verkocht én er geen verklaring was waarom en niet duidelijk was op welk moment precies er een aanzienlijke waardedaling had plaatsgevonden in de periode 2015-2016 tot de datum van een taxatierapport van 30 juni 2018, vond de Rechtbank het aannemelijk dat het ook al op 1 januari 2015 en op 1 januari 2016 financieel – aanmerkelijk – slechter ging met beleggingsfonds C dan het fonds zelf had voorgespiegeld. X had ook niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de deelnemingsrechten in C nihil was, zodat de Rechtbank de waarde van de deelnemingsrechten C in goede justitie vaststelde op € 300.000 voor zowel 2015 als 2016. De Rechtbank verwierp de stelling van X dat sprake was van een individuele en buitensporige last. Verder had X met betrekking tot de participaties A en de deelnemingsrechten C geen recht op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting. De Rechtbank verminderde de aanslagen en verklaarde de beroepen van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 27-05-2022