Crisisheffing voor aandelentoekenning door concernmaatschappij

Datum: 14 januari 2022

In maart 2012 kregen 13 managers van BV X in verband met een beursgang tegen een symbolisch bedrag een additioneel pakket aandelen toegekend met een totale bruto-waarde van € 20 mln. De aandelen waren toegekend door A LLC, een vennootschap die daarvoor was opgericht door twee private equityfondsen die indirect een belang van 36,3% in BV X hadden. A LLC had een middellijk belang van 1,3% in BV X. Toen BV X bij haar aangifte loonheffingen 2013 geen pseudo-eindheffing hoog loon (art. 32bd Wet LB) betaalde, legde de inspecteur een naheffingsaanslag op van € 2.955.091 omdat de managers door hun participatie in 2012 meer dan € 150.000 aan fiscaal loon hadden genoten. BV X ging in beroep, maar Rechtbank Gelderland en Hof Arnhem-Leeuwarden stelden haar in het ongelijk. Uit de door de private equityfondsen gekozen samenwerkingsvorm vanaf 2006 tot aan de beursgang van BV X kon niet anders worden geconcludeerd dan dat het voordeel uit de aandelentoekenning op één lijn moest worden gesteld met de situatie waarin het voordeel in opdracht van en voor rekening van BV X was verstrekt, zodat sprake was van “eigen” loon van BV X. BV X ging in cassatie, maar de Hoge Raad verklaarde haar cassatieberoep ongegrond. Als een werknemer in verband met zijn dienstbetrekking een voordeel van een derde genoot, was over dat voordeel slechts LB verschuldigd als het werd verstrekt in opdracht en voor rekening van de werkgever. Met die situatie moest op één lijn worden gesteld een geval waarin binnen een concern het voordeel met medeweten van de werkgever werd verstrekt door een andere concernmaatschappij dan die waarbij de werknemer in dienstbetrekking was en dat voordeel niet aan de werkgever werd doorberekend (zie FutD 2000-1902 voor een arrest van 1 november 2000). De beslissing van het Hof dat de aandelentoekenning op een lijn kon worden gesteld met een toekenning in opdracht van en voor rekening van BV X, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste opvatting van het begrip concernmaatschappij. Daaraan deed niet af dat BV X niet was aan te merken als een dochtermaatschappij van A LLC in de zin van artikel 2:24a BW en dat BV X en A LLC geen economische eenheid vormden als bedoeld in artikel 2:24b BW.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.