Opzettelijk in herziene aangifte opnemen van inspecteur afwijkend standpunt geen kwade trouw

Datum: 13 januari 2022

De inspecteur legde aan X een navorderingsaanslag IB 2018 op omdat hij in zijn aangifte ten onrechte negatief loon uit BV Y in aftrek had gebracht terwijl dat loon niet was genoten. Volgens de inspecteur bleek uit de correspondentie met de Belastingdienst voorafgaand aan zijn herziene aangifte IB 2018 en uit de eerdere rechtszaken over hetzelfde inhoudelijke geschilpunt met betrekking tot aanslagen IB 2012 tot en met 2016 dat X te kwader trouw was geweest. X ging in beroep en stelde dat de navordering moest worden vernietigd omdat geen sprake was van kwade trouw. Zijn vlak voor de Rechtbankzitting gewijzigde standpunt dat de correctie van het loon eigenlijk moest plaatsvinden in de jaren waarin dat loon door X was aangegeven als genoten loon, stond volgens X los van de vraag of er eerder sprake was geweest van kwade trouw. Rechtbank Noord-Holland stelde X in het gelijk. Het beoordelingsmoment of sprake was van kwade trouw was volgens de Rechtbank in dit specifieke geval het tijdstip waarop X zijn tweede, herziene aangifte indiende, omdat de inspecteur X verweet dat daarin onjuiste informatie was aangegeven, waarop vervolgens de aanslag was gebaseerd. Voor wat betreft de vraag om welke onjuiste informatie het concreet ging, besliste de Rechtbank dat het ging om het negatieve loon van BV Y, waarvan ook X achteraf bezien van mening was dat het ten onrechte in de aangifte stond vermeld. De Rechtbank besliste vervolgens dat geen sprake was geweest van kwade trouw. X had weliswaar in zijn herziene aangifte een standpunt ingenomen waarvan hij wist dat de inspecteur het daarmee oneens zou zijn, maar X wist op dat moment niet zeker dat zijn standpunt rechtens onjuist was. Er was weliswaar over hetzelfde geschilpunt eerder geprocedeerd, maar die procedures was niet uitgemond in een rechterlijk oordeel over de (on)juistheid van het standpunt van X, aangezien X en de inspecteur daarover een compromis hadden gesloten. Volgens de Rechtbank had X er ook vanuit mogen gaan dat deze discussie genoegzaam bekend was bij de Belastingdienst en in zijn herziene aangifte in alle openheid het “negatief loon” van BV Y als zodanig mogen aangegeven. Onder deze omstandigheden kon volgens de Rechtbank niet worden gezegd dat X aldus met opzet onjuiste inlichtingen aan de inspecteur had verstrekt. X had met opzet zijn bij de inspecteur bekende standpunt, waarmee de inspecteur het oneens was, gepresenteerd in de herziene aangifte. Dat was volgens de Rechtbank iets anders dan met opzet de inspecteur informatie geven waarvan X wist (dat er een aanmerkelijke kans was) dat die informatie niet klopte. Dat X later – in de loop van deze procedure – anders was gaan denken over de juistheid van zijn standpunt, leverde volgens de Rechtbank geen kwade trouw op. De Rechtbank vernietigde de navorderingsaanslag.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.