Bijtelling privégebruik auto 50-50% over echtgenoten verdeeld, maar met oproep voor heroverweging via hardheidsclausule

Datum: 13 januari 2022

X en zijn echtgenote Y waren in 2019 allebei werkzaam bij BV A, die aan X een Volkswagen Up ter beschikking stelde en aan mevrouw Y een Hyundai. Voor de Volkswagen beschikte X over een verklaring “geen privégebruik auto”. De Hyundai werd bij het loon van mevrouw Y bijgeteld. In verband met het overlijden van mevrouw Y op 25 juli 2019 nam BV A de Volkswagen per 31 juli 2019 in en maakte X vanaf 1 augustus 2019 gebruik van de Hyundai. BV A had voor de inhouding van LB vanaf 1 augustus 2019 het voordeel van het privégebruik van de Hyundai bij het loon van X opgeteld. Op 8 september 2019 trok X de verklaring “geen privégebruik auto” in omdat hij de Volkswagen niet meer tot zijn beschikking had. De inspecteur legde X een naheffingsaanslag loonheffingen op over de maanden januari 2019 tot en met juli 2019. X ging in beroep en stelde dat hij in het belang van BV A en uit emotionele overwegingen de Hyundai in gebruik had genomen. Als zijn echtgenote niet was overleden dan was de vóór 1 augustus 2019 bestaande situatie volgens X voortgezet. Rechtbank Den Haag besliste dat sprake was van een dubbele belastingheffing voor de terbeschikkingstelling van de Hyundai over de maanden januari tot en met juli 2019 en vernietigde de naheffingsaanslag omdat die in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De inspecteur bleef erbij dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. Hof Den Haag stelde de inspecteur gedeeltelijk in het gelijk. X en zijn echtgenote Y werkten beiden voor dezelfde werkgever, woonden samen op hetzelfde adres en hadden beiden de mogelijkheid om de Volkswagen te gebruiken. Aangezien het echtpaar had afgesproken dat zij die auto uitsluitend zouden gebruiken voor woon-werkverkeer, was de Volkswagen volgens het Hof feitelijk door de werkgever aan zowel X als zijn echtgenote Y ter beschikking gesteld. De bijtelling voor privégebruik auto moest volgens het Hof voor de Volkswagen in redelijkheid worden verdeeld over beide echtelieden. Het Hof ging ervan uit dat de Volkswagen van 1 januari 2019 tot en met 25 juli 2019 in gelijke verhouding aan beide echtgenoten ter beschikking was gesteld en in de periode van 26 juli 2019 tot en met 31 juli 2019 geheel aan X moest worden toegerekend. Het Hof verminderde de naheffingsaanslag naar een voordeel van € 876. Met betrekking tot de hardheidsclausule van artikel 63 AWR merkte het Hof ten overvloede op dat de toegepaste beleidsmatige en categorische uitsluiting van de hardheidsclausule zich volgens het Hof niet verhield met de van de staatssecretaris gevraagde zorgvuldigheid bij het voorbereiden van besluiten. Als de werkgever het volledige kalenderjaar aan zowel X als zijn echtgenote een auto ter beschikking had gesteld, zou deze kwestie niet hebben gespeeld. Het geschil was een direct gevolg van het overlijden van de echtgenote en dit noopte volgens het Hof tot een zorgvuldige afweging van alle betrokken belangen. De staatssecretaris van Financiën zou het tot zijn verantwoordelijkheid hebben moeten rekenen dat hij bij de motivering van zijn beslissingen over de hardheidsclausule blijk had gegeven van toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dan had een schrijnende situatie als hier aan de orde mogelijk voorkomen kunnen worden. Het Hof gaf de staatssecretaris in overweging het beroep van X op de hardheidsclausule opnieuw te beoordelen, maar gaf daarbij aan dat dit een overweging ten overvloede was en daarom niet bindend was voor partijen en de staatsecretaris.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.