A-G: veroordeling registeraccountant ten onrechte alleen gebaseerd op eigen verklaring

Datum: 2 december 2021

Registeraccountant X was directeur en (middellijk) aandeelhouder van BV A en BV B. Hij verzorgde de administratie en de jaarstukken van beide BV’s en diende ook de aangiften in. Hij werd strafrechtelijk vervolgd nadat bij een boekenonderzoek was gebleken dat hij onjuiste aangiften BTW en loonheffingen had ingediend. X erkende dat hij opzettelijk onjuiste aangiften BTW had gedaan over 2013 en het eerste kwartaal van 2014 om “de liquiditeit binnen de club” en de BV’s draaiende te houden. Ook had X toegegeven dat hij de intracommunautaire verwervingen van BV A niet in de aangiften BTW over 2013 en het eerste kwartaal van 2014 had vermeld. De strafkamer van Rechtbank Overijssel veroordeelde X tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Kort daarna legde de Accountantskamer in een tuchtzaak tegen hem de maatregel op van doorhaling van de inschrijving in de registers voor een periode van 10 jaar. X ging in hoger beroep tegen de strafrechtelijke veroordeling. De strafkamer van Hof Arnhem-Leeuwarden vond bewezen dat X feitelijk leiding had gegeven aan het doen van onjuiste aangiften BTW en LB, het indienen van een vervalste kilometeradministratie bij de Belastingdienst en het opmaken van een valse factuur. Het benadelingsbedrag begrootte het Hof op ongeveer € 200.000. Het Hof veroordeelde X tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 maanden. X ging in cassatie. Advocaat-Generaal (A-G) Hofstee heeft een conclusie genomen en de Hoge Raad geadviseerd het cassatieberoep van X (gedeeltelijk) gegrond te verklaren. Volgens de A-G had X terecht geklaagd dat de bewezenverklaring door het Hof van het opzettelijk onjuist doen van BTW-aangiften, in strijd met artikel 341, lid 4 Sv, op één enkele bron berustte, namelijk op een opgave van X. De bewezenverklaring van deze feiten was daarom ontoereikend gemotiveerd. Ook had het Hof de bewezenverklaring van het opzettelijk doen van onjuiste LB-aangiften onvoldoende gemotiveerd. Uit de gebruikte bewijsmiddelen kon niet volgen dat, zoals het Hof had bewezenverklaard, BV B een aangifte voor de LB en PVV over de maanden van 2011 en 2012 en 2013, onjuist had gedaan. De als bewijsmiddel gebruikte verklaring van X bevatte geen grond voor die vaststelling. De A-G adviseerde de Hoge Raad de zaak terug te wijzen naar Hof Arnhem-Leeuwarden.

 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.