Gemeente moet foutparkeerder € 1.757 betalen voor niet-behandelen bezwaar

Datum: 30 november 2021

X maakte op 2 juni 2019 bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 3 mei 2019. Toen niet op het bezwaar werd beslist, stelde X de gemeente in gebreke en verzocht om een dwangsom. De gemeente wees het dwangsomverzoek af omdat er geen bezwaar tegen de naheffingsaanslag bekend was. X ging in bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom en stelde dat hij wel degelijk bezwaar had gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De gemeente verklaarde het bezwaar alsnog gegrond en gaf toe dat X inderdaad op 2 juni 2019 bezwaar had gemaakt. De gemeente vernietigde de naheffingsaanslag omdat door het tijdsverloop niet meer te beoordelen was of die terecht was opgelegd. Ook kende zij X een proceskostenvergoeding (PKV) voor de bezwaarfase toe en een dwangsom van € 1.260 vanwege niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. X ging in beroep en stelde dat de gemeente hem ten onrechte geen PKV had toegekend voor zijn bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom. Rechtbank Midden-Nederland was dat niet met X eens. Het bezwaar tegen de afwijzing van de dwangsom maakte op grond van artikel 4:19 Awb deel uit van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Daarom was daar maar één keer een PKV in bezwaar voor verschuldigd en die had de gemeente toegekend. De Rechtbank was het wél met X eens dat de gemeente de dwangsomvergoeding te laag had vastgesteld omdat de bedragen per 1 januari 2019 waren geïndexeerd. Er had een dwangsom van € 1.442 moeten worden toegekend in plaats van € 1.260. Het beroep was daarom gegrond en de Rechtbank kende X een PKV toe voor het beroep van € 267 waarbij zij de onjuiste vaststelling van de dwangsom aanmerkte als een evidente tel- en rekenfout en daarom een wegingsfactor hanteerde van 0,25. Tot slot moest de gemeente het griffierecht van € 48 aan X vergoeden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.