IMSV wegens spanning en frustratie voor echtpaar verminderd met 35%

Datum: 26 november 2021

X en zijn echtgenote Y waren in 2002 geïdentificeerd als rekeninghouder van een buitenlandse bankrekening. De inspecteur legde (navorderings)aanslagen IB en VB over de jaren 1990 tot en met 2003 op. X en mevrouw Y gingen in beroep en cassatie en stelden dat zij geen rekening bij de bank hadden gehad maar de Hoge Raad verklaarde hun beroepen ongegrond. In hun aangiften IB 2004 tot en met 2006 gaf het echtpaar het saldo op de bankrekening ook niet aan. De inspecteur corrigeerden de aangiften IB 2004 tot en met 2006 en legde 100% vergrijpboeten op van € 2.637 (2004), € 2.725 (2005) en € 1.218 (2006). X en mevrouw Y gingen in beroep en verwezen naar de jarenlange correspondentie met de Belastingdienst waarin zij stelden dat zij geen rekening hadden aangehouden bij de bank. Op 27 september 2018 informeerde de gemachtigde van X en mevrouw Y bij de inspecteur met de vraag wat de fiscale gevolgen zouden zijn als zij zouden erkennen dat zij rekeninghouder van de bankrekening waren en stukken zouden overleggen. De inspecteur antwoordde dat hij de onherroepelijk vaststaande aanslagen over de jaren 1990 tot en met 2003 niet ambtshalve zou gaan verminderen. Op 4 oktober 2018 verstrekte de gemachtigde namens X en mevrouw Y de gegevens over de bankrekening, een handgeschreven brief met als titel “inkeer”, rekeninggegevens van de bankrekening over de periode 1 januari 1991 tot en met 7 maart 2007 en handgeschreven berekeningen van X over de periode 1990 tot en met 2006. De inspecteur verminderde voor de jaren 2004, 2005 en 2006 de correcties voor buitenlands vermogen op basis van de door X verstrekte bankafschriften. De boeten verminderde hij tot 75% in verband met de alsnog verleende medewerking van X. Vervolgens verminderde hij de boeten met nog eens 20% in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Verder kende de inspecteur voor de bezwaarfase van elk jaar een kostenvergoeding toe. Tevens kende hij aan X en mevrouw Y ieder voor alle drie de bezwaren samen een vergoeding toe van immateriële schade (IMSV) van € 4.000 in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. X en mevrouw Y gingen in beroep. Rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen gegrond en veroordeelde de inspecteur tot een IMSV van in totaal € 5.750. Daarbij had de Rechtbank de IMSV van € 11.500 met 50% gematigd omdat de zaken van X en zijn echtgenote gezamenlijk waren behandeld en de procedures betrekking hadden op dezelfde correcties. Het echtpaar ging in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden besliste dat de inspecteur de aanslagen bij uitspraken op bezwaar had verminderd op basis van de door X en mevrouw Y overgelegde bankafschriften. De aanslagen bleven daarom in stand. Het Hof vernietigde wel de vergrijpboete over 2006 omdat het uiteindelijk vastgestelde inkomen uit werk en woning in dat jaar lager was dan het aangegeven inkomen uit werk en woning. Van opzettelijk te weinig aangegeven belasting was dus geen sprake. Het Hof liet de boeten over 2004 en 2005 wel in stand omdat in hoger beroep daartegen niets was ingebracht. Verder was in hoger beroep niet (meer) in geschil dat de IMSV, behoudens eventuele matiging, op € 11.500 moest worden gesteld. Het was alleen de vraag of dit bedrag moest worden gematigd vanwege het feit dat de zaken van X en mevrouw Y gezamenlijk waren behandeld. Het Hof stelde vast dat de zaken van X en mevrouw Y door de inspecteur en de Rechtbank gezamenlijk waren behandeld en dat de zaken zagen op correcties ter zake van dezelfde verzwegen bankrekening over dezelfde belastingjaren. Het Hof vond aannemelijk dat hiervan de door de inspecteur genoemde matigende werking van 35% uitging. Ten aanzien van de stelling van het echtpaar dat er juist sprake was van meer spanning omdat zij beiden bij de procedure betrokken waren, merkte het Hof op dat voorop bleef staan dat iedere belanghebbende een zelfstandig recht op schadevergoeding had, en dat de hoogte daarvan (slechts) gematigd werd tot – in dit geval – voor X en mevrouw Y tezamen een vergoeding van (ruim) meer dan het hiervoor genoemde uitgangspunt van € 11.500. Dit betekende volgens het Hof dat X en mevrouw Y beiden recht hadden op vergoeding van € 7.475 (= 0,65 x € 11.500). De overschrijding was geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase. Het Hof veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van deze schade. Het Hof verklaarde het hoger beroep van X en mevrouw Y gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.