Lagere box 3-waarde van aan dochter verhuurde woning niet bewezen

Datum: 25 november 2021

X verhuurde een woning aan zijn dochter voor € 650 per maand. Er was sprake van niet-geliberaliseerde woonruimte waarop huurbescherming van toepassing was. X nam de woning in zijn aangifte IB 2017 op in box 3 voor € 156.240. Deze waarde had hij bepaald door op de WOZ-waarde van € 252.000 een correctie wegens huurbescherming op grond van de leegwaarderatio van artikel 17a UVBT IB 2001 toe te passen van € 95.760 (38% van de WOZ-waarde). De aangegeven grondslag voor de berekening van het box 3-inkomen was voor een deel toegerekend aan de echtgenote van X, mevrouw Y. De inspecteur legde de aanslagen op conform de aangiften, maar X en mevrouw Y gingen in bezwaar en stelden dat de leegwaarderatio buiten toepassing moest blijven omdat door de stapeling van forfaits de waarde van de verhuurde woning die voortvloeide uit de toepassing van artikel 17a UVBT IB 2001 in betekenende mate (10% of meer) hoger was dan de werkelijke waarde in het economische verkeer van de verhuurde woning. Daarom moest volgens het echtpaar met de waardedruk als gevolg van verhuur rekening worden gehouden door uit te gaan van de werkelijke waarde in het economische verkeer van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum. Die berekenden zij op € 105.000 uitgaande van de netto huuropbrengst (bruto huuropbrengst minus OZB, onderhoudskosten en verzekeringen). Hof Den Haag stelde de echtelieden in het ongelijk. Bij de berekening van de werkelijke waarde in het economische verkeer moest volgens het Hof worden uitgegaan van de bruto huuropbrengst, te weten de contractuele maandhuur van € 650. De door X en mevrouw Y berekende werkelijke waarde van de woning in verhuurde staat van € 105.000 was daarom onjuist. Zij hadden dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de uit de toepassing van de leegwaarderatio voortvloeiende waarde in betekenende mate hoger was dan de werkelijke waarde van de woning in verhuurde staat op de peildatum. Het Hof zag geen aanleiding de forfaitaire regeling van artikel 17a UVBT IB 2001 buiten aanmerking te laten en verklaarde het beroep van X en mevrouw Y ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.