Overuren en vakantiegeld toch uit referentie-loonsom voor NOW 1

Datum: 24 november 2021

Kledingzaak BV X vroeg een tegemoetkoming in het kader van de NOW 1-regeling aan voor maart, april en mei 2020. Het UWV kende € 7.216 toe en betaalde € 5.772 als voorschot uit, maar stelde de definitieve tegemoetkoming vast op € 0 en vorderde het uitbetaalde voorschot terug. BV X ging in beroep en stelde dat zij in januari 2020 overuren en resterende vakantie-uren van haar drie werknemers over 2019 had uitbetaald, waardoor die maand niet representatief was. Volgens BV X ging het om € 2.223,67 aan incidenteel loon. Rechtbank Limburg stelde BV X in het gelijk. Volgens de Rechtbank volgde uit de parlementaire geschiedenis van de NOW 1-regeling dat het niet mogelijk was om met alle (loon-)situaties rekening te houden vanwege de noodzaak een eenvoudige regeling te treffen. Daarbij was van belang dat incidentele loonbetaling als overuren en vakantie-uren niet geautomatiseerd uit de loonsom in de polisadministratie konden worden gefilterd. Hoewel de regeling dat strikt genomen dus niet toeliet, vond de Rechtbank dat in dit geval toch de ruimte bestond om rekening te houden met de incidentele loonbetalingen bij de vaststelling van de referentie-loonsom. In de parlementaire geschiedenis was opgemerkt dat wanneer de werkgever met objectief verifieerbare gegevens uit de loonadministratie kon aantonen dat de loonkosten in een referentiemaand niet representatief waren doordat sprake was van het uitbetalen van bonussen, overuren en dergelijke, het UWV deze gelden uit de loonsom kon filteren. Bovendien bleek uit toelichting van het UWV dat incidentele loonbetalingen inderdaad konden worden uitgefilterd, mits de daarmee verloonde uren juist (via de tabel “bijzondere beloningen”) waren opgenomen in de aangifte. Door een interne werkwijze werd daarbij in beginsel aangesloten bij de loonaangifte van de werkgever zoals deze in de polisadministratie stond. Die werkwijze was echter niet extern gepubliceerd en daarom niet kenbaar voor de Rechtbank en voor de werkgevers. Ook was onduidelijk wat de minister van SZW, voor wie het UWV de regeling in mandaat uitvoerde, van de interne werkwijze vond. Het UWV kon deze interne werkwijze daarom niet gebruiken voor de motivering van haar besluit. Bovendien ging het in deze zaak niet om een complexe berekening of definiëring van het SV-loon. Daarom kon niet worden volgehouden dat het UWV in dit geval juist had gehandeld door in haar besluit de incidentele loonbetalingen (nog steeds) niet uit de referentie-loonsom te filteren. Een redelijke toepassing van artikel 7, lid 1, NOW 1, bracht volgens de Rechtbank in dit geval mee dat het UWV bij de herbeoordeling in bezwaar niet van de (geautomatiseerde) loonsom in de polisadministratie mocht uitgaan, maar rekening had moeten houden met de (al in bezwaar) overgelegde stukken van BV X. Dat geen rekening kon worden gehouden met incidentele loonbetalingen als die door verkeerde vermelding in de aangifte niet automatisch uit de loonsom konden worden gefilterd, betekende niet dat deze loonbetalingen daarom niet meer gecorrigeerd konden worden in de referentie-loonsom. Het bedrag van € 2.223,67 moest in mindering worden gebracht op de bij de vaststelling gehanteerde referentie-loonsom over januari 2020. De vaststelling van de tegemoetkoming op € 0 kon dus niet in stand blijven.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.