Belgische aandeelhouder geen afwaardering voor lening aan Nederlandse BV

Datum: 23 november 2021

Mevrouw X woonde in België en hield alle aandelen in BV A die enig aandeelhouder was van BV B. In 2007 verstrekte zij een lening aan BV B van € 900.000 tegen 5% rente. De ontvangen rente gaf mevrouw X aan als resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Vanaf 2011 werd de vordering jaarlijks afgewaardeerd waarbij het bedrag van de afwaardering in de aangiften IB bij het ROW in Nederland in mindering werd gebracht op de ontvangen rente. De inspecteur legde de aanslagen IB tot en met 2014 op conform de aangiften, maar stelde zich na overleg met mevrouw X op het standpunt dat de lening onzakelijk was en dat in de toekomst alleen een voorziening mocht worden gevormd voor oninbare rente. Ook de aanslag over 2015 werd na vooroverleg met de inspecteur conform de aangifte opgelegd, maar bij de aanslag over 2016 corrigeerde de inspecteur een afwaardering van € 391.800 en nam alleen een voorziening voor de rente in aanmerking van € 26.177. Mevrouw X ging in beroep en stelde dat de inspecteur het vertrouwen had gewekt dat de vordering ook in 2016 ten laste van het ROW in Nederland kon worden afgewaardeerd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was dat niet met haar eens. Het opgewekte vertrouwen zou alleen kunnen gelden voor de aftrek van een bedrag ter grootte van de ontvangen rente, maar omdat de inspecteur in 2016 een dergelijk bedrag in aftrek had toegelaten, was voor een beroep op schending van het vertrouwensbeginsel geen plaats meer. De Rechtbank verwierp de stelling van mevrouw X dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld door pas in de bezwaarfase te verwijzen naar een arrest van de Hoge Raad van 1 maart 2013, terwijl in eerdere jaren alleen de zakelijkheid van de geldlening in discussie was. Deze handelwijze van de inspecteur kon volgens de Rechtbank bij mevrouw X tot verwarring hebben geleid, maar dit betekende niet dat de inspecteur daarmee onzorgvuldig had gehandeld. Het stond de inspecteur vrij om gedurende de procedure zijn standpunt nader te onderbouwen dat het hele bedrag van de afwaardering niet in mindering kon worden gebracht, ook met een juridisch argument. De Rechtbank verwierp tot slot ook de subsidiaire stelling van mevrouw X dat sprake was van een zakelijke lening en dat het niet in aanmerking nemen van het bedrag van de afwaardering leidde tot een schending van de artikelen 45 en 63 VWEU. De Rechtbank vond het aannemelijk dat mevrouw X bij het verstrekken van de geldlening aan BV B een debiteurenrisico had gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen en dat zij dit risico had aanvaard om aandeelhoudersmotieven. Daaraan deed niet af dat het bedrag van de geldlening daadwerkelijk was gebruikt voor ondernemingsdoeleinden. De geldlening moest als onzakelijk worden gekwalificeerd. Er was ook geen sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van een inwoner van België ten opzichte van een inwoner van Nederland omdat in beide gevallen de afwaardering van de vordering niet ten laste van het Nederlandse resultaat uit ROW kon worden gebracht. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.