Economische eigendom van vastgoed in Oman in Nederland belast in box 3

Datum: 23 november 2021

X woonde vanaf 2000 in Oman en remigreerde in 2011 naar Nederland. Tijdens zijn verblijf in Oman ontwikkelde hij vriendschappelijke en zakelijke betrekkingen met Y en investeerde hij deels met geleend geld in drie onroerende zaken in Oman. Y verkocht de drie onroerende zaken in 2015. In oktober en november 2015 stortte Y in verband daarmee bedragen op de rekening van een Stichting Particulier Fonds (SPF). Vanuit de SPF werden vervolgens bedragen overgemaakt naar de privérekening van X. Hij was de insteller van de SPF en kon sinds mei 2017 beschikken over het vermogen van de SPF als ware het zijn eigen vermogen. In zijn aangiften IB 2012 tot en met 2015 vermeldde X de onroerende zaken in Oman niet, omdat Y de juridische eigendom daarvan had verkregen omstreeks zijn remigratie vanuit Oman naar Nederland in 2011. De inspecteur corrigeerde de aangiften en rekende de onroerende zaken tot de rendementsgrondslag voor box 3. Volgens de inspecteur had X de economische eigendom van de onroerende zaken behouden. X ging in beroep, maar Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde hem in het ongelijk. X had als enige gelden opgeofferd voor de verkrijging van de onroerende zaken. Y had geen betalingen aan X gedaan ten tijde van de juridische eigendomsoverdracht in 2011. De uiteindelijke verkoopopbrengsten waren ook geheel aan X ten goede gekomen. De Rechtbank vond het daarom aannemelijk dat X de economische eigendom, zijnde het risico van waardeverandering en tenietgaan van de onroerende zaken, had behouden. Het was niet aannemelijk dat Y de uiteindelijke netto-verkoopopbrengsten uit louter vrijgevigheid aan X had afgestaan. Dat X zelf zijn recht op de onroerende zaken vanaf 2011 als waardeloos ervaarde, deed volgens de Rechtbank niet af aan de juridische kwalificatie van X als economisch eigenaar van die zaken. De Rechtbank verklaarde het beroep van X echter wel gegrond, omdat hij een creditcardschuld voor de nominale waarde in box 3 in aanmerking kon nemen. De inspecteur had niet aannemelijk gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de creditcardschuld op de peildata minder dan de nominale waarde zou bedragen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.