Nieuw verzoek om toepassing 30%-regeling toegewezen

Datum: 22 november 2021

Mevrouw X en haar werkgever Y dienden op 24 maart 2017 een verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregeling in van 1 maart 2017 tot en met 28 februari 2019, waarbij rekening was gehouden met een periode van eerder verblijf in Nederland van mevrouw X van januari 1996 tot en met december 2001. Mevrouw X had Y nog laten weten dat haar verblijf in Nederland niet was aangevangen in januari 1996 maar in januari 1997, maar dat was in het verzoek niet meer meegenomen. Op 3 april 2017 gaf de inspecteur een beschikking af dat de 30%-bewijsregeling kon worden toegepast van 1 maart 2017 tot en met 28 februari 2019. Op 17 juli 2018 verzocht Y om voortzetting van de 30%-bewijsregeling. Ook daarin stond dat mevrouw X eerder vanaf 1 januari 1996 in Nederland had verbleven. Ook dit verzoek werd toegewezen. Op 6 februari 2019 deden mevrouw X en Y een nieuw verzoek om toepassing van de 30%-bewijsregeling van 1 maart 2019 tot en met 28 februari 2020. Daarin vermeldden zij ook dat het eerdere verblijf in januari 1997 was aangevangen in plaats van in januari 1996, zodat abusievelijk was uitgegaan van een looptijdvermindering van 72 maanden in plaats van 60 maanden. De inspecteur wees dit verzoek af, omdat een wettelijke grondslag voor het indienen van een nieuw verzoek ontbrak. Mevrouw X en Y gingen in beroep. Rechtbank Noord-Holland besliste dat er geen rechtsregel was die zich ertegen verzette dat een nieuw verzoek werd gedaan nadat al (onherroepelijk) op een eerder verzoek was beslist. Het feit dat een eerdere beschikking formele rechtskracht had, leidde niet tot het ontbreken van een wettelijke grondslag voor een nieuw verzoek of een verzoek om terug te komen op de eerdere beschikking. In dit geval verzocht Y om een 30%-bewijsregelbeschikking voor de periode van 1 maart 2019 tot en met 29 februari 2020. De inspecteur kon bij voor bezwaar vatbare beschikking een dergelijk verzoek toe- of afwijzen. Het verzoek van 6 februari 2019 was aan te merken als een verzoek om heroverweging van het eerdere besluit tot toepassing van de 30%-bewijsregeling tot en met 28 februari 2019. Zo’n verzoek kon volgens de Rechtbank niet alleen worden afgewezen met een beroep op formele rechtskracht van het eerdere besluit. Dat was volgens de Rechtbank in dit geval onredelijk. Niet in geschil was dat het eerdere verblijf van mevrouw X in januari 1997 was aangevangen. Wanneer de aanvangsdatum correct zou zijn vermeld, zou de looptijdvermindering 60 maanden in plaats van 72 maanden zijn geweest. Verder vond de Rechtbank van belang dat het verzoek was gedaan vóór aanvang van het tijdvak waarvoor om toepassing van de regeling werd gevraagd, namelijk op 6 februari 2019 met ingangsdatum 1 maart 2019. Artikel 10ed UB LB stond aan een herbeoordeling en toewijzing van het verzoek in de weg. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en besliste dat de 30%-bewijsregeling van 1 juni 2018 tot en met 29 februari 2020 moest worden toegepast.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.