Hypotheekrente op niet in in aangifte vermelde familielening niet aftrekbaar

Datum: 19 november 2021

Mevrouw X werd op 31 januari 2014 eigenaar van een woning waarvoor zij een hypothecaire geldlening was aangegaan bij een bank en een geldlening had afgesloten bij haar vader. In haar aangifte IB 2016 vermeldde zij wél de bij de bank aangegane hypothecaire lening als eigenwoningschuld en bracht zij de aan de bank betaalde hypotheekrente in aftrek, maar de geldlening van haar vader vermeldde zij niet en de rente daarop trok zij niet af. Nadat haar aanslag conform de aangifte was opgelegd, maakte mevrouw X in een “herziene aangifte” van bijna een jaar later (alsnog) aanspraak op een renteaftrek van € 2.740 in verband met de geldlening van haar vader. De inspecteur merkte de herziene aangifte aan als een verzoek om ambtshalve vermindering en wees het verzoek af. Volgens de inspecteur was de aanslag niet te hoog vastgesteld, en had mevrouw X geen recht op een ambtshalve vermindering omdat zij niet vóór het onherroepelijk worden van de aanslag de gegevens had verstrekt als bedoeld in artikel 3.119g Wet IB 2001 in verbinding met artikel 17b, lid 1, UVR IB 2001. Mevrouw X ging in beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde haar in het ongelijk. De schuld uit de onderhandse geldleningsovereenkomst met de vader was geen eigenwoningschuld, omdat mevrouw X niet tijdig had voldaan aan de informatieverplichting. Het tijdig voldoen aan de informatieverplichting was volgens het Hof een noodzakelijke voorwaarde om de uit de onderhandse lening voortvloeiende schuld als een eigenwoningschuld te bestempelen. Er was daarom ook geen reden om de aanslag op grond van artikel 9.6 Wet IB 2011 ambtshalve te verminderen. Mevrouw X ging in cassatie en stelde primair dat de aftrek van rente van een eigenwoningschuld geen beroep op een fiscale faciliteit was in de zin van artikel 45aa UVR IB 2001. Daarin stond dat de inspecteur een tot een te hoog bedrag vastgestelde belastingaanslag niet ambtshalve verminderde als pas na het onherroepelijk worden van de aanslag een beroep werd gedaan op een fiscale faciliteit waarop bij de aangifte of op een ander wettelijk voorgeschreven moment beroep had moeten worden gedaan. De Hoge Raad wees erop dat artikel 3.119g Wet IB 2001 vanaf 2016 meebracht dat het in de aangifte vermelden van de hierin genoemde gegevens voorwaarde was om de lening tot de eigenwoningschuld te rekenen. Aangezien mevrouw X die gegevens niet in de aangifte IB 2016 had vermeld, kon de door haar vader verstrekte lening in dat jaar niet tot de eigenwoningschuld worden gerekend. De toepassing van artikel 3.119g Wet IB 2001 kon volgens de Hoge Raad de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan. Deze bepaling gaf uitdrukking aan een welbewuste afweging van de wetgever en het zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan als die afweging in een individueel geval terzijde zou worden gesteld. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.