Ruim € 59 mln valutawinst op termijncontracten belast

Datum: 19 november 2021

De Nederlandse handelsactiviteiten van het A-concern waren ondergebracht in BV A, een in een f.e. gevoegde dochter van BV X. Bij een structuurwijziging werden concernvorderingen en -schulden door BV X overgedragen aan BV A. Hierdoor kreeg BV X een vordering in buitenlandse valuta. De concernvorderingen en -schulden waren vervolgens door BV A gestort op aandelen in de Treasury onderneming van de A-groep, een in het buitenland gevestigde dochtervennootschap van BV A. BV A had haar schuld aan BV X en de aandelen in Treasury toegerekend aan een tot stand gebrachte (buitenlandse) v.i. Om het valutarisico op de vordering op BV A van buitenlandse valuta te elimineren, ging BV X vanaf 2005 valutatermijncontracten aan met Treasury. In 2009 werd begonnen met de afwikkeling van de valutatermijncontracten. Gedurende het bestaan en de afwikkeling werd in de periode 2006-2010 een winst behaald op valutatermijncontracten van in totaal ruim € 59 mln. De resultaten op de valutatermijncontracten kwamen niet tot uitdrukking in de jaarrekening van de v.i. en waren in het buitenland niet in de heffing betrokken. De inspecteur corrigeerde de aangiften 2007-2010 en rekende de winsten behaald op valutatermijncontracten van in totaal ruim € 59 mln tot de winst van BV X in die jaren. BV X ging in beroep, maar Hof Den Haag stelde haar in het ongelijk. De werking van de f.e. bracht mee dat onderlinge vorderingen en schulden tussen moeder- en dochtermaatschappij tegen elkaar wegvielen. Het lag dan niet voor de hand om ten behoeve van de allocatie van met een dergelijke vordering samenhangende vermogensbestanddelen (de valutatermijncontracten), die vordering – die als gevolg van de f.e. niet meer zichtbaar was – toe te rekenen aan een andere tot de f.e. behorende maatschappij (BV A) dan de maatschappij tot wier vermogen die vordering enkelvoudig bezien behoorde (BV X). Dat zou ook niet in overeenstemming zijn met het uitgangspunt van de f.e. dat de moeder- en dochtermaatschappij als belastingsubjecten bleven bestaan. In dit geval was die andere maatschappij (BV A) bovendien de schuldenaar. Dit betekende volgens het Hof dat de vordering ten behoeve van de allocatie van daarmee samenhangende vermogensbestanddelen bleef behoren tot het vermogen van BV X en de schuld tot het vermogen van de BV A/de v.i. Gelet op het karakter van de valutatermijncontracten en de samenhang tussen de vordering en de valutatermijncontracten – er bestond tussen beide een oorzakelijk verband – moesten volgens het Hof ook de valutatermijncontracten aan BV X worden toegerekend. De resultaten op de valutatermijncontracten maakten geen onderdeel uit van de vrij te stellen winst van de v.i. Het Hof verklaarde het hoger beroep van BV X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.