Bitcoin mining voor de BTW een economische activiteit

Datum: 15 oktober 2021

Vof X hield zich bezig met het verifiëren en authentiseren van transacties in de cryptovaluta bitcoin en het realiseren van zogenaamde blokken binnen de bitcoin-blockchain (mining-activiteiten). De blockchain was een digitaal grootboek waarin alle transacties in bitcoins werden bijgehouden. Door blokken te realiseren ontstond ruimte voor (nieuwe) transactiedata. Met betrekking tot de activiteiten van X waren twee vergoedingen te onderscheiden: (1) een vergoeding in bitcoins voor het verifiëren en authentiseren van transacties (de transaction-fee). Aan het verifiëren en authentiseren was niet altijd een vergoeding verbonden en (2) de vergoeding voor het realiseren van een nieuw blok in de blockchain bestaande uit het bedrag aan bitcoins dat daardoor was ontstaan (de blockreward). Over het algemeen probeerden meerdere personen tegelijkertijd een bepaald blok te realiseren. De vergoedingen voor alle genoemde activiteiten werden toegekend op winner-takes-all basis: degene die als eerste een blok realiseerde, kreeg zowel alle transaction-fees voor het blok als de volledige blockreward; de anderen kregen niets. De uitbetaling vond plaats in één bedrag in bitcoins zonder verdere specificatie. Voor de uitvoering van de mining-activiteiten was X aangesloten bij een samenwerkingsverband (de pool). Als een deelnemer aan de pool een blok realiseerde en dus een vergoeding kreeg, werd deze vergoeding verdeeld over alle deelnemers aan de pool. X kreeg de BTW over het vierde kwartaal van 2014 en de eerste twee kwartalen van 2015 die in rekening was gebracht over de aanschaf van computer- en koelapparatuur en over de elektriciteit die nodig was om deze apparatuur te laten werken op aangifte terug. De inspecteur stelde vervolgens dat geen sprake was van een economische activiteit. Hij legde een naheffingsaanslag op voor de voorbelasting en ook voor de bedragen die aan X vanuit andere EU-lidstaten waren verlegd. X ging in beroep. Rechtbank Den Haag vroeg de Hoge Raad om een prejudiciële beslissing over de aftrek van BTW bij mining-activiteiten met bitcoins (zie FutD 2020-2324 met ons uitgebreide commentaar). De Rechtbank wilde van de Hoge Raad weten of voor het leveren van bewijs voor het recht op aftrek van BTW in het kader van bitcoin mining uitgegaan mocht worden van statistische gegevens. De Hoge Raad besloot op de voet van artikel 27gc, lid 8, AWR echter af te zien van het beantwoorden van de prejudiciële vragen. Rechtbank Den Haag ging vervolgens alsnog in op de vraag of X economische prestaties verrichtte waar tegenover de inspanningen van X een concreet aanwijsbare vergoeding stond. De Rechtbank was het met X en de inspecteur eens dat de transactiefees vergoedingen waren voor de prestaties die X voor de specifieke aanbieders van de transactie verrichtte en dat in zoverre sprake was van economische prestaties die vielen onder artikel 11, lid 1, letter j, Wet OB. De transactiefee was immers een vergoeding die ten laste kwam van degene die de transactie ter verificatie aanbood en was verschuldigd wanneer de transactie in het blok werd opgenomen. Aangezien X met de aangeboden transactie aan de slag ging, was er een rechtstreeks verband tussen haar werkzaamheden om een transactie te verwerken en de door haar ontvangen tegenwaarde bestaande uit de transactiefee. Dat X niet in alle gevallen uiteindelijk die transactiefee ontving omdat een ander het blok wist te realiseren en niet duidelijk was wie degene was die de transactie aanbood, tastte dit verband niet aan. De Rechtbank baseerde zich in dit kader op het arrest Town & County Factors Ltd van het EU-Hof van Justitie, waaruit kon worden afgeleid dat een rechtsbetrekking breed moest worden uitgelegd.

 

De Rechtbank was het verder niet eens met de inspecteur dat er een onderscheid moest worden gemaakt tussen werkzaamheden ten behoeve van het valideren en authenticeren en werkzaamheden ten behoeve van het delven en dat voor wat betreft het delven sprake was van niet-economische activiteiten. Niet aannemelijk was geworden dat een dergelijk onderscheid kon worden gemaakt. Het valideren en authenticeren was immers op zichzelf ook gericht op het realiseren van het blok en daarmee op het delven. Er was dan ook sprake van een onlosmakelijke verwevenheid tussen het valideren, authenticeren en het delven. Verder had X het oogmerk de te delven bitcoins te verhandelen wat ook als een dienst en daarmee als een economische activiteit moest worden aangemerkt. De Rechtbank besliste vervolgens dat X niet aannemelijk had gemaakt dat 98% van de afnemers van haar diensten buiten de EU was gevestigd. X had haar stelling hierover gebaseerd op statistische gegevens van de website CryptoCompare. Hierop stonden marktgegevens van verschillende crypto-munten. X had het door haar bepleite percentage bepaald door aan te sluiten bij het percentage van de bitcoin-handel dat plaatsvond in de valuta van EU-lidstaten. De Rechtbank vond de door X aangedragen statistische gegevens niet één op één bruikbaar, maar ontleende aan de gegevens wél het bewijsvermoeden dat een deel van de afnemers van de diensten van X buiten de EU was gevestigd. Dat dit deel ruim 98% van de afnemers zou zijn, vond de Rechtbank onwaarschijnlijk. De Rechtbank stelde het aantal afnemers van buiten de EU in goede justitie vast op 75% zodat de naheffingsaanslag moest worden verminderd tot € 3.694 (25% van € 14.788). De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.