Informatiebeschikkingen voor beoordeling verrekenprijzen mogelijk gelieerde BV intact

Datum: 14 oktober 2021

BV X exploiteerde een groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen en verleende diensten voor de winning van aardolie en aardgas. De aandelen van BV X waren gecertificeerd. Naar aanleiding van een boekenonderzoek kreeg de inspecteur het vermoeden dat sprake was van gelieerdheid met BV A en dat de door BV X gehanteerde verrekenprijzen met betrekking tot BV A in strijd waren met het arms’ length beginsel. Hij legde over 2013 een navorderingsaanslag Vpb op. Hij gaf ook informatiebeschikkingen voor de Vpb en BTW over 2014 tot en met 2016 omdat BV X ondanks herhaaldelijke verzoeken geen inzage had verleend in de administratie, meer specifiek in de inkoopfacturen, inkoop-verkoopdocumenten, inkoop- verkoopcontracten, bill of lading, letter of credit, verdere transportdocumenten, SGS rapporten en e-mails, en BV X vragen over de goederenstroom onbeantwoord had gelaten. BV X ging in beroep en stelde dat geen sprake was van gelieerdheid, maar dat zij optrad als tussenpersoon (agent) voor BV A waarbij zij in eigen naam overeenkomsten afsloot, leveringen factureerde en betalingen ontving van derden, maar waarbij BV A (principal) de overeenkomsten uitvoerde en de betalingen ontving. Voor haar werkzaamheden bracht BV X 11% van haar kosten in rekening aan BV A. De door de inspecteur gevraagde stukken behoorden volgens BV X niet tot haar administratie omdat haar omzet niet afhing van de overeenkomsten. Rechtbank Gelderland besliste echter dat de inspecteur terecht vermoedde dat sprake was van gelieerdheid tussen BV X en BV A, omdat uit de dossierstukken het beeld naar voren kwam dat persoon B, die aandeelhouder was van BV A ook de feitelijk leidinggevende was van BV X, in een kredietdossier bij de bank bleek dat B de “ultimate beneficial owner” was van BV X, in opdracht van BV X een transferpricingrapport was opgemaakt voor de transacties tussen BV X en BV A en op het LinkedIn-profiel van B stond dat hij eigenaar was van BV X. Gelet op dit gerechtvaardigde vermoeden van gelieerdheid was volgens de Rechtbank in redelijkheid het mogelijke heffingsbelang voor de Vpb gegeven. Anders dan BV X stelde, kon op basis van de opgelegde navorderingsaanslag 2013 niet worden gezegd dat de inspecteur kennelijk al over voldoende informatie beschikte, aangezien de navorderingsaanslag ter behoud van rechten was opgelegd in verband met het verstrijken van de navorderingstermijn. Vervolgens besliste de Rechtbank dat de stukken met betrekking tot de goederentransacties en vooral de transportnota’s van belang waren voor de belastingheffing van BV X, omdat daarmee kon worden vastgesteld hoeveel olie en gas was getransporteerd wat weer nodig was om de zakelijkheid van de verrekenprijzen te kunnen beoordelen. De Rechtbank handhaafde daarom de voor de Vpb afgegeven informatiebeschikkingen en gaf BV X twee weken om daaraan te voldoen. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond voor zover die betrekking hadden op de BTW.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.