Zoon geen ODB over na hertrouwen vader verkregen woning

Datum: 13 oktober 2021

Tot de huwelijksgemeenschap van A en mevrouw B behoorde hun woning. Het echtpaar had twee zoons. Mevrouw B overleed in 2010. In haar testament van 2 juni 2005 was een tweetrapsmaking opgenomen: echtgenoot A was als enig erfgenaam benoemd, maar zijn recht op de nalatenschap zou eindigen op het moment dat hij een huwelijk aanging. Toen A in 2016 in het huwelijk trad, ondertekenden hij en de twee zoons als verdeling van de nalatenschap van mevrouw B een akte waarin de woning met bijbehorende hypotheekschuld werd toegedeeld en geleverd aan zoon X. X werd daarbij wegens overbedeling een geldbedrag verschuldigd aan zijn vader en zijn broer. De waarde van de woning werd in de akte van 28 december 2017 bepaald op € 442.000 en daarvoor werd een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting (ODB) van artikel 3, lid 1, onder b, WBR. De inspecteur stelde dat X voor de helft van de verkrijging van de woning ODB was verschuldigd en legde aan hem een naheffingsaanslag ODB op van € 4.420. X ging in beroep en stelde dat door het intreden van de ontbindende voorwaarde in het testament (het hertrouwen van A) de nalatenschap met terugwerkende kracht was “herleefd” en een (nieuwe) onverdeeldheid was ontstaan van een huwelijksgemeenschap en een nalatenschap. De verdeling daarvan viel volgens X volledig onder de vrijstelling van artikel 3, lid 1, onder b, WBR. Rechtbank Gelderland was dat niet met hem eens. Volgens de Rechtbank was er geen te verdelen huwelijksgemeenschap. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond. X ging met succes in hoger beroep. Hof Arnhem-Leeuwarden stelde voorop dat door het overlijden van mevrouw B de huwelijksgemeenschap was ontbonden en A, als bezwaarde, gerechtigd bleef tot de onverdeelde helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De (gerechtigdheid tot de) andere onverdeelde helft behoorde tot de nalatenschap, waartoe gerechtigd waren de erfgenamen, namelijk de bezwaarde A, onder ontbindende voorwaarde en de kinderen onder opschortende voorwaarde. Weliswaar werd de bezwaarde A tegenover derden als de uitsluitend rechthebbende aangemerkt, maar tussen bezwaarde A en de verwachters X en zijn broer waren de wettelijke voorschriften betreffende vruchtgebruik van overeenkomstige toepassing. Om die reden waren ook de kinderen (weliswaar voorwaardelijk) gerechtigd tot de huwelijksgemeenschap. Anders dan de Rechtbank had beslist, was dus nog steeds sprake van een situatie waarin een ontbonden huwelijksgemeenschap bestond waartoe de woning behoorde. Volgens het Hof was de ontbonden huwelijksgemeenschap blijven bestaan en waren de bezwaarde A, X en zijn broer gerechtigd tot de, in de nalatenschap vallende onverdeelde helft van de huwelijksgemeenschap. Er waren tot 2017 geen handelingen verricht die hadden geleid tot de verdeling van de huwelijksgemeenschapen/of de nalatenschap. Beide gemeenschappen waren volgens het Hof dus tot die datum blijven bestaan. Bij akte in 2017 waren beide gemeenschappen verdeeld, waarbij de tot de gemeenschap behorende woning was toebedeeld aan X. Deze verdeling was de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap en een nalatenschap. De verkrijging van de onroerende zaak bij deze verdeling was daarom volgens het Hof geen verkrijging in de zin van de ODB (art. 3, lid 1, onderdeel b, WBR). Het Hof verklaarde het hoger beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.