Lening van vader zonder aflossingsverplichting geen eigenwoningschuld

Datum: 11 oktober 2021

X ging op 24 augustus 2015 een lening van € 195.000 bij zijn vader aan voor de financiering van de aankoop van zijn eigen woning. De rente bedroeg 4,5% per jaar en moest maandelijks, voor het eerst per 1 september 2015 worden betaald. De looptijd en terugbetaling van de schuld (hoofdsom en rente) werd volgens de overeenkomst in onderling overleg met elkaar afgestemd. X trok in zijn aangiften IB 2015, 2016 en 2017 de rente over de schuld aan de vader af als eigenwoningrente, maar de inspecteur weigerde dit en corrigeerde de aangifte 2016 en legde over 2015 een navorderingsaanslag op. X ging in beroep, maar Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde hem in het ongelijk. Voor de navordering over 2015 besliste de Rechtbank dat de inspecteur mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte over 2015 omdat deze aangifte een verzorgde indruk maakte en de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat het niet-claimen van andere kosten dan rentekosten in de aangifte juist was. Van een ambtelijk verzuim was geen sprake. De Rechtbank besliste vervolgens dat geen sprake was van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a, lid 1, Wet IB 2001. In de ongedateerde leningsovereenkomst was niets opgenomen over de verplichting tot aflossing van de lening. Met de bepaling “in nader onderling overleg wordt tussen schuldeider en de schuldenaar de aflossing van de hoofdsom of het restant geregeld” werd niet voldaan aan de in de wet gestelde aflossingsvoorwaarde. Ook in de later opgemaakte leningsovereenkomst van 17 december 2016 was niets opgenomen over de verplichting tot aflossing van de lening. De bepaling “in nader onderling overleg is besloten dat de lening in 29 jaar wordt afgelost. Derhalve voor de eerste keer op 1 januari 2017” voldeed ook niet aan wettelijke eisen. De Rechtbank besliste dat geen sprake was van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a, lid 1, Wet IB 2001. Of al dan niet feitelijk was afgelost, was niet van belang voor de vraag of was voldaan aan voorwaarde b van artikel 3.119a Wet IB 2001. Dat X de intentie had gehad om op de lening af te lossen, leidde niet tot een ander oordeel. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.