Alleen aftrek van eigen hypotheekrente voor KBB’er

Datum: 8 oktober 2021

Mevrouw X was gehuwd en woonde met haar echtgenoot Y in België. Zij waren ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van een woning in België. Voor de aankoop daarvan hadden zij een hypothecaire geldlening afgesloten. De woning was een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001. Mevrouw X was in 2015 in dienstbetrekking werkzaam in Nederland en genoot een loon van € 71.605. Y was gepensioneerd en genoot in dat jaar inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en een AOW-uitkering tot een bedrag van in totaal € 21.601. De inkomsten van Y waren uitsluitend belast in België. Mevrouw X vermeldde in haar aangifte IB/PVV 2015 dat zij een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (KBB) was in de zin van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001. Zij bracht het hele bedrag van de door haar en Y in 2015 betaalde hypotheekrente van € 11.114, verminderd met het hele eigenwoningforfait, in aftrek op haar in Nederland belaste inkomsten. De inspecteur nam maar de helft van dat bedrag in aanmerking. Y vermeldde in zijn over 2015 ingediende aangifte in de Belgische personenbelasting € 5.557 aan betaalde hypotheekrente, maar dat had niet tot een te effectueren aftrekpost geleid. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant was het met de inspecteur eens dat mevrouw X niet meer dan 50% van de negatieve inkomsten uit eigen woning in aftrek kon brengen. Zij voldeed aan de inkomenseis voor KBB van artikel 7.8, lid 6, Wet IB 2001, maar haar echtgenoot Y niet. Y kon op grond van artikel 1.2, lid 4, onderdeel b, Wet IB 2001 ook niet worden aangemerkt als partner, zodat het ook niet mogelijk was om op grond van artikel 2.17, lid 2, Wet IB 2001 gemeenschappelijke inkomensbestanddelen naar keuze toe te delen. Mevrouw X ging in hoger beroep. Hof Den Bosch besliste dat Y in België een inkomen genoot dat zodanig hoog was dat in België rekening kon worden gehouden met zijn fiscale draagkracht en daarmee met zijn persoonlijke en gezinssituatie, en dat dus niet het gezamenlijke gezinsinkomen van mevrouw X en Y nagenoeg geheel in Nederland werd verworven. Uit het arrest Zurstrassen van het EU-Hof van Justitie volgde volgens het Hof dat Nederland dan niet verplicht was om belastingvoordelen die golden voor partners die beiden binnenlands belastingplichtig waren, ook toe te passen bij mevrouw X en Y. Van verboden discriminatie was volgens het Hof dus geen sprake. Mevrouw X ging in cassatie en stelde dat het Hof haar beroep op het arrest Zurstrassen ten onrechte van de hand had gewezen. De Hoge Raad stelde mevrouw X in het ongelijk. Het gezinsinkomen van mevrouw X en Y in 2015 was niet geheel of nagenoeg geheel in Nederland verdiend. Het stond ook vast dat Y in 2015 in België voldoende inkomen had genoten om de aftrek van het aan hem toerekenbare gedeelte van de hypotheekrente in België te kunnen vergelden. Mevrouw X miskende volgens de Hoge Raad dat het arrest Zurstrassen, net als het arrest Schumacker berustte op het uitgangspunt dat het in beginsel aan de woonstaat was om rekening te houden met de persoonlijke en gezinsomstandigheden van de belastingplichtige. Alleen in uitzonderingsgevallen moest de werkstaat aftrek in verband met de persoonlijke en gezinssituatie verlenen. Dat was in gevallen waarin de woonstaat met die aftrekposten geen rekening kon houden omdat het gezinsinkomen geheel of nagenoeg geheel in de werkstaat werd verdiend. Aangezien het Hof had vastgesteld dat die situatie zich ten aanzien van mevrouw X en Y niet voordeed, had het Hof terecht beslist dat mevrouw X zich niet met succes op deze arresten van het EU-Hof kon beroepen. Hieraan kon niet afdoen dat de Belgische belastingwetgeving niet toeliet dat Y de aan hem toerekenbare hypotheekrente in aftrek bracht. Hier was sprake van een dispariteit tussen de betrokken nationale belastingstelsels. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie van mevrouw X ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.