Forse dwangsom voor fiscus om alsnog afschriften van digitaal dossier te verstrekken

Datum: 8 oktober 2021

Na een grootschalig boekenonderzoek bij recyclingbedrijf BV X en derdenonderzoeken legde de inspecteur 34 (navorderings/naheffings)aanslagen IB, Vpb en BTW op aan BV X en haar aandeelhouders en groepsmaatschappijen. BV X maakte bezwaar en verzocht om te worden gehoord en wilde ook inzage in het hele dossier. De inspecteur gaf inzage in het dossier dat alleen digitaal bestond, maar weigerde een afschrift daarvan te geven. BV X vorderde in een voorlopige voorziening het volledige digitale dossier. De voorzieningenrechter van Rechtbank Gelderland besliste dat het bestuursorgaan op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage moest leggen als een belanghebbende gehoord wilde worden. Op grond van artikel 7:4, lid 2, Awb kon een belanghebbende van deze stukken afschriften krijgen tegen vergoeding van ten hoogste de kosten. De voorzieningenrechter verwierp de stelling van de inspecteur dat artikel 7:4, lid 4, Awb geen verplichting in het leven riep om desgevraagd een afschrift van het digitale dossier te overleggen. Het recht op inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase was een fundamenteel recht waarmee het belang van een goed verlopende bezwaarprocedure werd gewaarborgd. Het recht op het verkrijgen van een afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken was volgens de voorzieningenrechter een onlosmakelijk onderdeel van het inzagerecht, zodat een belanghebbende die stukken in alle rust of in samenwerking met één of meerdere adviseurs kon bestuderen om zich daarover een goed oordeel te kunnen vormen. In deze zaak was sprake van op de zaak betrekking hebbende stukken die niet in één oogopslag waren te doorgronden. Volgens de voorzieningenrechter werd het recht op inzage uitgehold als geen afschrift van de stukken werd verstrekt. Tot slot kon er volgens de voorzieningenrechter geen twijfel over bestaan dat een belanghebbende, zoals BV X, recht had op een afschrift van het volledige dossier als een vergrijpboete was opgelegd. Die verplichting volgde uit artikel 5:49 Awb, waarmee uitvoering was gegeven aan de waarborgen van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en de beginselen van fair play en equality of arms. De voorzieningenrechter droeg de inspecteur op om binnen vier weken een (digitaal) afschrift van het digitale dossier aan BV X ter beschikking te stellen zodat zij de gronden van het bezwaar kon aanvullen. In verband met het grote belang van BV X om over deze stukken te kunnen beschikken, verbond de voorzieningenrechter daaraan een door de inspecteur te betalen dwangsom van € 10.000 per week met een maximum van € 50.000 als geen afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan BV X was verstrekt. De voorzieningenrechter veroordeelde de inspecteur ook in de werkelijke proceskosten, omdat de wettekst van de artikelen 5:49 en 7:4 Awb ondubbelzinnig was en het bovendien evident was dat BV X zich niet kon verweren tegen de belastingaanslagen en/of vergrijpboeten zonder de beschikking te hebben over een afschrift van het zeer omvangrijke dossier. De proceskostenvergoeding werd vastgesteld op het door BV X begrote bedrag van € 15.000.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.