Mededelingsplicht artikel 10a AWR niet bruikbaar als bewijs voor beboetbaar of strafbaar feit

Datum: 24 september 2021

In haar aangifte BTW over het tweede kwartaal 2011 bracht BV X € 209.910 te veel BTW als voorbelasting in aftrek. Bij het opmaken van de jaarstukken 2011 werd de op aangifte teruggevraagde BTW als schuld opgenomen op de balans per 31 december 2011. Een suppletieaangifte BTW werd nooit ingediend. Naar aanleiding van een controle van de Belastingdienst in juli 2014 legde de inspecteur een naheffingsaanslag BTW op van € 209.910 met een boete van 50%, die in verband met de financiële omstandigheden van BV X werd gematigd tot € 5.000. BV X ging in beroep. Hof Den Haag besliste net als Rechtbank Den Haag dat de inspecteur terecht aan BV X een boete had opgelegd, omdat het aan A te wijten was geweest dat geen suppletieaangifte was ingediend. De opzet van haar DGA kon worden toegerekend aan BV X omdat zij naast de DGA geen personeel had en daarom alleen DGA opdracht kon geven tot het indienen van de suppletieaangifte. Vervolgens besliste het Hof dat de Rechtbank de boete ten onrechte had verminderd met 10% tot € 4.500 in verband met een overschrijding van de redelijke termijn. Volgens het Hof was de vertraging in de procesduur geheel te wijten geweest aan het procedeergedrag van BV X. Zij had 7 maanden uitstel gevraagd en gekregen voor de behandeling van haar zaak bij de Rechtbank en meer dan 3 maanden gedaan over het verstrekken van een nadere motivering. Voor een vermindering van de boete was daarom geen plaats. Het Hof verwierp ook de stelling van BV X dat het nemo-teneturbeginsel was geschonden en verklaarde het beroep van BV X ongegrond. BV X ging in cassatie en stelde dat de vertragingen in het proces niet aan onder meer dat het verlenen van uitstel van de motivering van het bezwaar niet aan haar was toe te rekenen. De Hoge Raad besliste als volgt:

  • De Hoge Raad was het met BV X eens dat het Hof de vertragingen met betrekking tot de beoordeling van undue delay ten onrechte aan BV X had toegerekend. Volgens de Hoge Raad moest partijen enige tijd worden gegund voor herstel van verzuimen in het bezwaar- of beroepschrift, en van het tijdsverloop dat daarmee was gemoeid, kon niet worden gezegd dat het werd veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid die aanleiding gaf te wijken van de bij wijze van vuistregel gehanteerde termijnen zoals die volgden uit het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005. Voor het herstellen van een verzuim dat kleefde aan een ingediend bezwaarschrift was het tijdsverloop doorgaans vier weken. Er was volgens de Hoge Raad ook geen sprake van een bijzondere omstandigheid als de rechter op verzoek van een partij het onderzoek ter zitting voor de eerste keer uitstelde. Bij de beoordeling of daaropvolgende verzoeken tot verder uitstel van het onderzoek ter zitting konden leiden tot afwijking van de als vuistregel te hanteren termijnen moest volgens de Hoge Raad rekening worden gehouden met de wijze waarop de zaak door de rechter was behandeld. In het arrest van 22 april 2005 werd aangegeven dat hieronder in elk geval werd verstaan de mate van voortvarendheid die was betracht bij het vaststellen van de datum van het onderzoek ter zitting. De Hoge Raad was het met BV X eens dat het Hof de vuistregels met termijnen had miskend ofwel zijn uitspraak op dit punt onvoldoende had gemotiveerd.
  • De Hoge Raad ging ten overvloede in op de door BV X wél bij het Hof maar niet meer bij de Hoge Raad aangevoerde stelling dat de boetebeschikking wegens schending van het nemo-teneturbeginsel moest worden vernietigd. Omwille van de rechtsontwikkeling en met het oog op duidelijkheid voor de rechtspraktijk besloot de Hoge Raad in te gaan op de vraag of de in artikel 10a AWR juncto artikel 15 UVBT OB neergelegde verplichting tot het bij wijze van suppletie alsnog verstrekken van de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, leidde tot een inbreuk op het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht dat niemand kan worden gedwongen mee te werken aan zijn eigen veroordeling (het nemo-teneturbeginsel). De Hoge Raad besliste dat geen sprake was van een dergelijke inbreuk. De in artikel 10a AWR neergelegde mededelingsplicht strekte ertoe dat de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige die eerder een onjuiste of onvolledige belastingaangifte had gedaan, met het oog op een juiste belastingheffing, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen uit eigen beweging alsnog juiste en volledige informatie aan de inspecteur verschafte. Als de belastingplichtige ter nakoming van deze mededelingsplicht een suppletie deed waaruit volgde dat hij eerder een onjuiste of onvolledige aangifte had gedaan waardoor te veel of te weinig belasting was betaald, kon daarvan het gevolg zijn dat ten aanzien van die belastingplichtige het vermoeden ontstond dat hij een beboetbaar of strafbaar feit had begaan. Dat betekende volgens de Hoge Raad echter niet dat de belastingplichtige zich met een beroep op het nemo-teneturbeginsel aan de suppletieverplichting zou kunnen onttrekken. Het was immers vaste rechtspraak van het EHRM dat dit beginsel niet in de weg stond aan de verplichting voor een belastingplichtige om informatie te verschaffen ten behoeve van een juiste belastingheffing. Het nemo-teneturbeginsel stond volgens de Hoge Raad daarom ook niet eraan in de weg dat aan de belastingplichtige die de mededelingsplicht niet nakwam, een bestuurlijke boete werd opgelegd. Vervolgens besliste de Hoge Raad dat het nemo-teneturbeginsel wél eraan in de weg stond dat informatie die aldus ter nakoming van een wettelijke mededelingsplicht en onder bedreiging van een boete was verstrekt, werd gebruikt voor het bewijs dat de belastingplichtige ter zake van zijn eerdere ontoereikende betaling op aangifte een beboetbaar of strafbaar feit had begaan. De op grond van artikel 10a AWR gedane mededeling van onjuistheden of onvolledigheden in voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens en inlichtingen moest namelijk naar haar aard worden aangemerkt als materiaal waarvan het bestaan afhankelijk was van de wil van de belastingplichtige, ook al kon die verklaring gebaseerd zijn op in de administratie van de belastingplichtige aanwezige facturen en andere documenten. Die in artikel 10a AWR verplicht gestelde mededeling mocht volgens de Hoge Raad niet worden gebruikt voor het bewijs dat die belastingplichtige een beboetbaar of strafbaar feit had begaan.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van BV X gegrond en verwees de zaak naar Hof Amsterdam om vast te stellen of en, zo ja, in hoeverre de redelijke termijn voor de bezwaar- en de beroepsprocedure was overschreden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.