EU-Hof verduidelijkt staatssteun-criteria in Belgische rulings-zaak

Datum: 16 september 2021

De Europese Commissie (EC) besliste in 2016 dat de in 2005 ingevoerde Belgische belastingregeling voor overwinst verboden staatssteun was. Op grond van excess profit-rulings konden bepaalde concerns hun in België verschuldigde Vpb verminderen met “overwinst” die zou zijn toe te schrijven aan het voordeel dat het behoren tot een multinationale groep opleverde. Daarvoor werd de werkelijk geboekte winst vergeleken met de hypothetische winst die een op zichzelf staande onderneming in een vergelijkbare situatie zou hebben gemaakt. Het verschil werd door de Belgische Belastingdienst beschouwd als overwinst en de belastinggrondslag van de multinational werd met dit bedrag verlaagd. België ging in beroep. Het Gerecht van eerste aanleg besliste dat de Belgische belastingregeling voor overwinst geen verboden staatssteunregeling was, maar het EU-Hof van Justitie dacht hier anders over naar aanleiding van het hoger beroep van de EC. Volgens het EU-Hof moest aan drie voorwaarden zijn voldaan om een overheidsmaatregel als steunregeling te kunnen kwalificeren, namelijk (1) op grond van een regeling moest individuele steun kunnen worden toegekend aan ondernemingen, (2) die steun moest worden toegekend zonder dat hiervoor verdere uitvoeringsmaatregelen vereist waren en (3) de ondernemingen waaraan mogelijk individuele steun werd toegekend, “op algemene en abstracte wijze” worden omschreven. Het begrip “regeling” kon volgens het EU-Hof ook verwijzen naar een vaste praktijk van de autoriteiten van een lidstaat, wanneer deze praktijk een “stelselmatige benadering” aan het licht bracht. Het Gerecht had, door in zijn analyse alleen rekening te houden met bepaalde normatieve handelingen, de term “regeling” onjuist toegepast. Bij de beoordeling van de tweede voorwaarde was er geen rekening mee gehouden dat een van de wezenlijke kenmerken van de regeling was dat de Belgische fiscus stelselmatig vrijstelling voor overwinst had verleend wanneer aan de voorwaarden was voldaan. De vaststelling van een zo’n stelselmatige praktijk kon relevant zijn om in een bepaald geval aan te tonen dat de fiscus in werkelijkheid niet over een beoordelingsmarge beschikte. Met betrekking tot de derde voorwaarde voor het bestaan van een “steunregeling” merkte het EU-Hof op dat deze onlosmakelijk verbonden was met de eerste twee voorwaarden. Door de onjuiste uitleg van de eerste twee voorwaarden had het Gerecht ook de omschrijving van de begunstigden van de vrijstelling voor overwinst onjuist beoordeeld. Het EU-Hof vernietigde de uitspraak van het Gerecht en wees de zaak terug om uitspraak te doen over de vraag of de vrijstelling voor overwinst ten onrechte was aangemerkt als staatssteun en of het legaliteits- en vertrouwensbeginsel waren geschonden.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.