Aandelenoverdracht in familiesfeer: veel te lage verkoopprijs gecorrigeerd via navordering bij ouders

Datum: 15 september 2021

X en zijn echtgenote Y waren voor 50% en 45% aandeelhouder in BV A. De resterende 5% van de aandelen was eigendom van hun drie kinderen. BV A bezat 20 panden en een deelneming die eigenaar was één pand. Op 30 december 2010 droegen X en zijn echtgenote Y hun aandelen in BV A over aan de BV die (indirect) in handen was van hun zoons. Daarbij realiseerden de echtelieden een inkomen uit aanmerkelijk belang (a.b.) dat zij vermeldden in hun aangiften IB 2010 en waarbij zij uitgingen van een overdrachtsprijs van € 12.737.500. Nadat hun aanslagen conform de aangiften waren vastgesteld, stelde de inspecteur dat een te laag vervreemdingsvoordeel was aangegeven in verband met een te lage overdrachtsprijs. De inspecteur legde aan X een navorderingsaanslag op naar een belastbaar inkomen uit a.b. van € 10.321.217 met een vergrijpboete van € 579.354 en mevrouw Y kreeg een navorderingsaanslag naar een belastbaar inkomen uit a.b. van € 9.289.095 met een vergrijpboete van € 521.418. De echtelieden gingen in beroep en stelden dat artikel 4.22 Wet IB 2001 niet van toepassing was omdat zij nooit de bedoeling hadden gehad om hun zoons te bevoordelen. De inspecteur kon volgens hen bovendien niet navorderen omdat bij X geen sprake was geweest van kwade trouw en bij mevrouw Y het nieuw feit ontbrak. In verband met het overlijden van X vernietigde de inspecteur de aan hem opgelegde boete, maar hij bleef bij zijn overige standpunten.  Rechtbank Noord-Holland besloot voor de zitting om de Stab als deskundige in te schakelen voor de taxatie van de panden per 30 december 2010. De Rechtbank besliste vervolgens dat de panden op 30 december 2010 een waarde in het economische verkeer hadden van in totaal € 22.123.000. Doordat deze waarde ruim hoger was dan waarvan X, mevrouw Y en de zonen waren uitgegaan voor de bepaling van de overdrachtsprijs, was volgens de Rechtbank sprake van een vervreemding als bedoeld in artikel 4.22 Wet IB 2001:. Gelet op het aanzienlijke verschil tussen de met de zonen overeengekomen overdrachtsprijs van € 12.737.500 en de vastgestelde waarde van € 22.123.000, kon het volgens de Rechtbank niet anders zijn dan dat de echtelieden wisten van de aanzienlijk hogere waarde van de aandelen. De inspecteur was volgens de Rechtbank ook bevoegd om na te vorderen. Bij X was navordering mogelijk wegens kwade trouw omdat hij door zijn jarenlange ervaring en kennis van de vastgoedmarkt en zijn vastgoedportefeuille moest hebben geweten dat de overdrachtsprijs veel te laag was. Bij mevrouw Y had de inspecteur een nieuw feit voor de navordering, omdat haar aangifte geen aanleiding had gegeven voor een nader onderzoek omdat die verzorgd oogde en daaruit niet kon worden opgemaakt dat sprake was van aandelenoverdracht binnen de familiesfeer. De Rechtbank verlaagde de navorderingsaanslagen in verband met de lagere door Stab getaxeerde waarde naar een a.b.-inkomen van X van € 9.210.737 en € 8.289.664 bij mevrouw Y, en verklaarde de beroepen daarom gegrond. Met betrekking tot de boeten besliste de Rechtbank ten overvloede dat die voor X moest worden vernietigd in verband met zijn overlijden, waarvoor de inspecteur inmiddels een verminderingsbeschikking had genomen. De Rechtbank vernietigde de aan mevrouw Y opgelegde boete omdat de inspecteur onvoldoende had bewezen dat bij haar bewust was gekozen voor de een te lage overdrachtsprijs. Tot slot kende de Rechtbank een forfaitaire proceskostenvergoeding toe van € 6.486 plus € 12.975 voor de taxatie door de deskundige.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.