USD-geldlening bestemd voor afdekking valutarisico

Datum: 14 september 2021

BV X maakte deel uit van een internationaal concern dat actief was in de olie- en gaswinning. Zij was opgericht om de centrale houdster- en financieringsfunctie op zich te nemen en voerde als valuta de Euro, ook voor jaarrekening- en belastingdoeleinden. In april 2017 verwierf BV X van een zuster-BV een deelneming in de Noorse vennootschap Y AS. De koopsom bedroeg ongeveer USD 7,1 mld, omgerekend ongeveer € 6,7 mld. Verder nam BV X een schuldpositie van omgerekend ongeveer € 923 mln over van de zuster-BV, bestaande uit (1) een credit facility in USD van omgerekend ongeveer € 3,86 mld en (2) twee vorderingen op Y AS in Noorse Kroon (NOK) van in totaal omgerekend ongeveer € 2,94 mld. Omgerekend € 922.537.081 gebruikte BV X om een deel van de koopsom van Y AS te financieren (de USD-geldlening). De bezittingen van Y AS bestonden nagenoeg geheel uit vergunningen om olie- en gasvelden te exploiteren en uit gekapitaliseerde uitgaven. De waarde daarvan was afhankelijk van de olieprijs, die in USD luidde. In haar commerciële jaarrekening 2017 verlaagde BV X de balanswaardering van haar deelneming in Y AS met ongeveer € 151,7 mln in verband met de waardedaling van de USD ten opzichte van de Euro. BV X verzocht de inspecteur om een beschikking ex artikel 13, lid 7, Wet Vpb. Volgens BV X strekte de USD-geldlening tot het afdekken van een valutarisico dat met de deelneming in Y AS werd gelopen. Zij liep met haar deelneming in Y AS een EUR-USD-valutarisico, welk risico werd afgedekt door de USD-geldlening. De inspecteur was het daar niet mee eens, waarop BV X in beroep ging. Rechtbank Den Haag stelde BV X in het gelijk. Uitgangspunt was dat op het niveau van BV X moest worden beoordeeld of zij een EUR-USD-valutarisico liep met haar deelneming Y AS. BV X hanteerde de Euro als valuta, Y AS was door BV X gekocht in USD en een toekomstige vervreemding zou ook plaatsvinden in USD. BV X liep daarmee met haar deelneming Y AS een EUR-USD-valutarisico. De lening in USD stond tegenover de deelneming LNAS en dekte daarmee het koersrisico EUR-USD af. De inspecteur wees er terecht op dat LNAS zelf een USD-NOK-risico liep, dat in haar resultaat viel. Dat liet echter onverlet dat voor artikel 13, lid 7, Wet Vpb op het niveau van BV X als de belastingplichtige moest worden beoordeeld wat het valutarisico op de deelneming was. De commerciële afwaardering van de deelneming was bovendien een bevestiging dat BV X een EUR-USD-valutarisico liep met Y AS. De Rechtbank verklaarde het beroep van BV X gegrond en droeg de inspecteur op BV X een goedkeurende beschikking op grond van artikel 13, lid 7, Wet Vpb te geven.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.