Naheffing dubbele bijtelling na overlijden eega vernietigd wegens strijd met redelijkheid

Datum: 13 september 2021

X en zijn echtgenote Y waren in 2019 beiden werkzaam bij BV A. BV A stelde aan X een Volkswagen Up ter beschikking en aan mevrouw Y een Hyundai. Voor de Up beschikte X over een verklaring “geen privégebruik auto”. De Hyundai werd bij het loon van mevrouw Y bijgeteld. In verband met het overlijden van mevrouw Y op 25 juli 2019 nam BV A de Volkswagen Up per 31 juli 2019 in en maakte X vanaf 1 augustus 2019 gebruik van de Hyundai. BV A had voor de inhouding van LB vanaf 1 augustus 2019 het voordeel van het privégebruik van de Hyundai bij het loon van X opgeteld. Op 8 september 2019 trok X de verklaring “geen privégebruik auto” in omdat hij de Volkswagen Up niet meer tot zijn beschikking had. De inspecteur legde X een naheffingsaanslag loonheffingen op over de maanden januari 2019 tot en met juli 2019. X ging in beroep en stelde dat hij in het belang van BV A en uit emotionele overwegingen de Hyundai in gebruik had genomen. Als zijn echtgenote niet was overleden dan was de vóór 1 augustus 2019 bestaande situatie volgens X voortgezet. Rechtbank Den Haag besliste dat de toepassing van artikel 13bis, lid 1, Wet LB vanwege de begrijpelijke wisseling van de Up naar de Hyundai tot een dubbele belastingheffing voor de terbeschikkingstelling van de Hyundai leidde over de maanden januari tot en met juli 2019. Mevrouw Y had immers tot haar overlijden de beschikking gehad over deze auto en tot de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst was de auto bij haar loon geteld. Uit het beleidsbesluit van 20 maart 2015 (zie FutD 2015-0909) over de bijtelling privégebruik auto kon volgens de Rechtbank niet worden afgeleid dat de toepassing van de hardheidsclausule was uitgesloten. De dubbele belastingheffing kon worden beschouwd als een onbillijkheid van overwegende aard. Deze onbillijkheid werd veroorzaakt door de uitzonderlijke feitelijke situatie van X. Een situatie die de wetgever volgens de Rechtbank niet had voorzien. Dit betekende dat voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag door de minister van Financiën had moeten worden beoordeeld of er aanleiding was om met toepassing van artikel 63 AWR af te zien van naheffing. Door dit niet te doen was de naheffingsaanslag opgelegd in strijd met artikel 3.4 Awb. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.