Niet-uitbetaald afgekocht pensioen wél genoten en informeel kapitaal bij BV

Datum: 10 september 2021

X en zijn broer Y bezaten ieder 50% van de aandelen in BV A die alle aandelen hield in pensioen-BV B. BV A verkocht in december 2017 de aandelen BV B voor € 1 aan X en Y. Ultimo 2017 werd de pensioenaanspraak van X afgekocht. De afkoopwaarde werd daarbij vastgesteld op € 296.850. Op grond van artikel 38o Wet LB was daarbij € 194.436 (€ 296.850 -/- € 102.414) als loon uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking genomen. Hierop was € 101.108 aan loonheffingen ingehouden die door BV B volledig waren afgedragen. Na afdracht van loonheffingen beschikte BV B over onvoldoende middelen om de netto-pensioenen van X en Y volledig te kunnen uitkeren. BV B bleef ten aanzien van X € 78.477 en ten aanzien van Y € 70.174 aan uit te keren netto-pensioen schuldig. BV B werd 31 juli 2018 geliquideerd. De inspecteur legde aan X en Y een aanslag IB 2017 op waarbij hij een loon uit vroegere dienstbetrekking van € 204.397 bij X en € 194.436 bij Y in aanmerking nam. X en Y gingen in beroep en stelden dat voor zover BV B onvoldoende middelen had om netto-pensioen uit te betalen, het met dit bedrag corresponderende brutoloon als niet-genoten loon moest worden beschouwd. Subsidiair stelden zij dat in 2017 een afwaardering van een vordering uit terbeschikkingstelling van het niet-uitbetaalde bedrag in aanmerking moest worden genomen. Rechtbank Den Haag stelde hen in het ongelijk. X en Y gingen in hoger beroep, maar Hof Den Haag verklaarde hun hoger beroep ongegrond. Bij afkoop moest de aanspraak op grond van artikel 19b Wet LB juncto de artikelen 38n en 38o Wet LB bij wijze van fictie op het onmiddellijk aan de afkoop voorafgaande tijdstip worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarbij werd het loon voor de LB gesteld op de afkoopwaarde (de fiscale balanswaarde) verminderd met een percentage daarvan ten tijde van de afkoop. Daarbij stond zowel het (fictieve) genietingstijdstip als de hoogte van het door de afkoop in de belastingheffing te betrekken bedrag vast, zodat niet van belang was of en in hoeverre dit bedrag was genoten in de zin van artikel 13a Wet LB of artikel 3.146 Wet IB 2001. Van niet-genoten loon voor zover het niet was uitbetaald, was daarom geen sprake. Vervolgens verwierp het Hof ook de stelling van X en Y dat zij met het niet-ontvangen netto-pensioenbedrag een vordering hadden gekregen op BV B, welk vermogensbestanddeel zij vervolgens ter beschikking hadden gesteld als bedoeld in artikel 3.92, lid 2, letter a, 1̊, Wet IB 2001, dat ten laste van het resultaat uit overige werkzaamheden in 2017 kon worden afgewaardeerd. Op het moment dat de pensioenaanspraak door de afkoop de loonsfeer verliet en de broers een vordering kregen op BV B, moest het hen in zijn hoedanigheid van aandeelhouder aanstonds duidelijk zijn geweest dat het resterende deel van het netto-pensioen nooit aan hen zou worden (terug)betaald. BV B beschikte immers niet meer over activa om aan die verplichting te kunnen voldoen en overigens bestond het voornemen BV B op korte termijn te liquideren, zoals ook was gebeurd op 31 juli 2018. De € 78.477 en € 70.174 moesten daarom worden aangemerkt als een informele kapitaalstorting en niet als een terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel aan BV B. Dat betekende dat de verkrijgingprijs van de aandelen BV B met deze bedragen werd verhoogd. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.