Niet-aftrekbaarheid IVF homostel discriminatie, maar geen rechtsherstel

Datum: 28 juli 2021

X had met zijn partner van hetzelfde geslacht (Y) een kinderwens. Om deze wens te vervullen was X in 2016 naar het buitenland gereisd om daar deel te nemen aan een eiceldonatie- en draagmoederschapprogramma. Via een IVF-behandeling was één embryo geplaatst in de baarmoeder van een draagmoeder. Op 10 januari 2018 werd een dochter uit de draagmoeder geboren. Y adopteerde de dochter. In zijn aangifte IB 2016 claimde X aftrek van € 38.077 aan kosten van de IVF-behandeling. De inspecteur weigerde de aftrek. X ging in beroep en stelde dat het weigeren van de aftrek van de uitgaven als specifieke zorgkosten in strijd was met het gelijkheidsbeginsel, omdat X en Y als homoseksueel stel werden uitgesloten van een recht, terwijl daar geen rechtvaardiging voor was.  Rechtbank Gelderland besliste dat de opgevoerde uitgaven niet konden worden aangemerkt als specifieke zorgkosten omdat zij niet in verband stonden met ziekte of invaliditeit van X. X was namelijk niet onvruchtbaar en had geen lichamelijke afwijking die was aan te merken als ziekte of invaliditeit en die zijn onvruchtbaarheid had veroorzaakt. Dat X en Y samen geen kinderen konden krijgen, kwam door het niet-medische gegeven dat twee personen van het mannelijke geslacht geen kinderen konden krijgen zonder de hulp van een persoon met het vrouwelijke geslacht. Het gelijkheidsbeginsel was volgens de Rechtbank niet geschonden. De Rechtbank was het echter wel met X eens dat sprake was van schending van het discriminatieverbod. De situatie van X en Y was vergelijkbaar met de situatie van stellen en vrouwen die door onvruchtbaarheid in de onmogelijkheid verkeerden om op een natuurlijke wijze een kind te krijgen en die een IVF-behandeling ondergingen om hun kinderwens te realiseren. De situatie van X en Y verschilde weliswaar van deze groepen, omdat X noch Y onvruchtbaar was, maar de Rechtbank zag geen relevant verschil in het gegeven dat een vrouw vanwege onvruchtbaarheid, van zichzelf of haar partner, niet zwanger kon worden, met het gegeven dat twee personen van het mannelijke geslacht nooit op een natuurlijke wijze een kind konden krijgen. X en Y waren uitgesloten van aftrek, waarbij zij nooit konden voldoen aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor aftrek van kosten van de IVF-behandeling, wat onlosmakelijk was verbonden met het gegeven dat zij man én homoseksueel waren. Voor dat onderscheid was volgens de Rechtbank geen redelijke en objectieve rechtvaardiging. De Rechtbank besliste echter dat zij geen rechtsherstel kon bieden om zelf in het door de discriminerende regeling veroorzaakte rechtstekort te voorzien. Die keuze moest aan de wetgever worden overgelaten. De Rechtbank verklaarde het beroep van X daarom toch ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.