Omkering bewijslast door auto van de zaak van € 214.000 en nihilaangifte

Datum: 27 juli 2021

X was voor 96% aandeelhouder van BV A. X woonde met zijn echtgenote en kind in een huurhuis. Volgens zijn aangifte IB had hij over 2014 geen belastbare inkomsten in box 1 en had hij geen banksaldi of contanten en geen schulden. De inspecteur stelde echter dat X over 2014 niet de vereiste aangifte had gedaan omdat hij in dat jaar twee werkgevers had gehad die hem een auto ter beschikking hadden gesteld waarvan er één cataloguswaarde had van € 214.000. De inspecteur legde met de omkering van de bewijslast een aanslag op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.000, maar verminderde dat tot € 44.000 na bezwaar van X. X ging in beroep, maar Rechtbank Zeeland-West-Brabant handhaafde de aanslag. X had 101 dagen de beschikking gesteld gekregen over een auto van een bedrijf waarvoor hij werkzaamheden had verricht en het was niet gebleken dat X op jaarbasis minder dan 500 km privé had gereden. Met een hieruit voortvloeiende bijtelling van € 14.804 was het belastbare inkomen uit werk en woning over 2014 volgens de Rechtbank in elk geval € 14.804. Aangezien X een nihilaangifte had gedaan en de bijtelling niet had opgegeven, was alleen al ten aanzien van de bijtelling van deze auto sprake van niet-aangegeven inkomen, waarover zowel absoluut als relatief een aanzienlijk bedrag aan belasting was verschuldigd. De Rechtbank vond het ook aannemelijk dat X zich ervan bewust was geweest dat door het niet-opgeven van de bijtelling een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Daarbij vond de Rechtbank van belang dat X had gesteld dat geen loon was genoten voor de ten gunste van het bedrijf verrichte werkzaamheden en hij dus had moeten weten dat de bijtelling niet al via de LB, maar in zijn aangifte IB 2014 moest worden aangegeven. De Rechtbank concludeerde dat de vereiste aangifte niet was gedaan en de bewijslast daarom moest worden omgekeerd en verzwaard. De Rechtbank besliste vervolgens dat de inspecteur een redelijke en niet-willekeurige schatting van het belastbare inkomen uit werk en woning had gemaakt door uit te gaan van de stelnormen van het NIBUD van € 34.000 met een verhoging van € 10.000 voor een luxe levensstandaard. X had volgens de Rechtbank niet bewezen dat de schatting van de inspecteur onjuist was. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond maar matigde de boete met 15% tot € 292 in verband met een overschrijding van de redelijke termijn.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.