Bijna € 90.000 toeristenbelasting voor verhuur recreatiewoningen aan arbeidsmigranten

Datum: 27 juli 2021

BV X hield zich bezig met de verhuur van onroerend goed. Zij huurde 41 recreatiebungalows op een recreatieterrein die zij verhuurde aan een vof en soms aan derden. De gemeente legde BV X een aanslag toeristenbelasting 2019 op van € 89.417 vanwege het houden van verblijf (in de recreatiebungalows) van personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen (BRP) waren ingeschreven. BV X ging in beroep en stelde dat zij geen toeristenbelasting verschuldigd was omdat de personen die in de recreatiebungalows verbleven in de gemeente woonden. Rechtbank Oost-Brabant was dat niet met BV X eens. Bij de vraag of toeristenbelasting kon worden geheven, was volgens de Rechtbank relevant of de persoon al dan niet in de BRP stond geregistreerd. In dit geval stonden de door BV X tijdelijk gehuisveste arbeidsmigranten, niet in de BRP geregistreerd, zodat de gemeente voor de betreffende overnachtingen in de bungalows op het recreatiepark toeristenbelasting kon heffen. Voor de belastbaarheid met toeristenbelasting volstond dat verblijf was gehouden door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de BRP waren ingeschreven. Daarvoor was niet vereist dat er geen sprake was van “wonen” in de gemeente. De Rechtbank verwierp de stelling van BV X dat geen toeristenbelasting kon worden geheven omdat de gemeente niet had voldaan aan de op haar rustende verplichting om de personen die in de bungalows verbleven in te schrijven in de BRP. De gemeente was niet verplicht de verblijfhouders in te schrijven in de BRP. Dit was dan ook geen reden om voor het houden van verblijf in de door BV X verhuurde bungalows geen toeristenbelasting te heffen. De aanslag toeristenbelasting was terecht aan BV X opgelegd.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.