Fiscus kreeg uitdeling wegens oplopende r/c-schuld niet bewezen

Datum: 26 juli 2021

X was directeur en enig aandeelhouder van BV Y, die deelnemingen had in vier andere BV’s. Als bestuurder van BV Y ontving X voor zijn werkzaamheden een nettoloon van € 32.099 in 2014, € 32.452 in 2015 en € 32.549 in 2016. Daarnaast genoot X in 2014 een resultaat uit het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan BV Y van bruto € 41.665. In september 2010 leende X € 600.000 van BV Y voor de verbouwing van zijn woning en bedrijfscomplex. De lening had een looptijd van 20 jaar, daarover was X 4% rente verschuldigd en er waren zekerheden gesteld ten aanzien van het onroerend goed. In september 2010 sloten X en BV Y een (tweede) overeenkomst met betrekking tot de schuld in rekening-courant (r/c) op grond waarvan X per 30 december 2007 een bedrag van € 325.446 schuldig was aan BV Y. Over het negatieve saldo van de r/c was een rentepercentage van één-maands-Euribor met een opslag van 0,5% verschuldigd. De zekerheden van deze overeenkomst waren gelijkluidend aan die van de eerste overeenkomst. Op 15 november 2012 werd een pandrecht gevestigd op diverse roerende zaken van X. BV Y was bereid om die schuld voor € 1,5 mln om te zetten in een vaste lening met een looptijd van 20 jaar, 4% rente en (nagenoeg) dezelfde zekerheden als in de eerdere twee overeenkomsten. Op 10 december 2012 kwamen X en BV Y ook een addendum op de tweede overeenkomst overeen in verband met door BV Y gewenste aanvullende zekerheden in verband met de verminderde liquiditeitspositie van X. Op 16 november 2014 sloot X een (vierde) overeenkomst van geldlening met BV Y op grond waarvan X € 1,5 mln leende voor de aanschaf, verbouwing en inrichting van twee woningen in het buitenland. De rente bedroeg 1% per jaar, de looptijd was 30 jaar en alle uit hoofde van de lening verschuldigde bedragen konden met onmiddellijke ingang worden opgeëist. De lening gold bij opeising als opgezegd als X de twee woningen in het buitenland verkocht. De eigen woning van X in Nederland was in 2015 verzekerd voor € 3.687.688. In 2014 kocht X nog twee woningen in het buitenland voor € 1.295.000 met de bedoeling om hiermee vermogenswinsten te realiseren door de woningen na een verbouwing tijdelijk te verhuren en vervolgens te verkopen. Eén van deze woningen werd in 2017 verkocht voor € 725.000. Hiervan werd € 281.000 gebruikt voor de aflossing van de r/c-schuld. BV Y beschikte ultimo 2014, 2015 en 2016 over de volgende winstreserves € 6.587.327, € 7.097.791 en € 5.312.069. X had over die jaren schulden aan BV Y van respectievelijk € 5.525.934, € 6.552.884 en € 5.765.955. X deed voor 2014-2015 en 2016 aangiften IB naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil met vermogens in box 3 van respectievelijk € 266.895, € 829.182 en € 798.218 aan bezittingen en respectievelijk € 4.034.145, € 4.444.099 en € 6.366.253 aan schulden. Uit een overzicht van de inspecteur bleek over 2014, 2015 en 2016 een netto besteedbaar inkomen van respectievelijk ‑/- € 164.616, ‑/- € 132.052 en -/- € 131.340. De inspecteur stelde dat BV Y uitdelingen had gedaan aan X ter grootte van de toename van de schuld van X aan BV Y van € 1.478.330 (2014), € 1.587.818 (2015) en € 970.584 (2016). X ging met succes in beroep. Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant had de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een bodemlozeputlening en daarmee een uitdeling. Voor de onderbouwing van zijn correcties van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang had de inspecteur verwezen naar de aangiften IB van X en/of de aangiften Vpb van BV Y, maar daarmee was de inspecteur niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De aangiften IB van X en de aangiften Vpb van BV Y sloten niet op elkaar aan, zodat er te veel onduidelijkheid was over de bedragen die in die aangiften waren vermeld. De inspecteur had die onduidelijkheden niet kunnen wegnemen. De inspecteur had weliswaar vragen gesteld aan X over de in de aangiften IB en Vpb vermelde bedragen, maar hij had na het uitblijven van (afdoende) beantwoording geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheden om de gewenste opheldering te verkrijgen. De Rechtbank ging voorbij aan het tijdens de zitting gedane aanbod van de inspecteur om nogmaals een overzicht te maken van de bezittingen en schulden van X, omdat de inspecteur genoeg gelegenheid had gehad om vermogensopstellingen te overleggen. De Rechtbank vernietigde de correcties wegens inkomen uit aanmerkelijk belang en verklaarde het beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.