Papieren inkomen te wrange maatstaf bij terugvordering toeslagen

Datum: 26 juli 2021

Mevrouw X ontving van 21 juli 2016 tot en met 2018 een uitkering als voorlopige lening van de Sociale Dienst Drechtsteden. De uitkering als lening was niet belast. In augustus 2019 werd de uitkering als lening omgezet in een verstrekking om niet, en werd de uitkering over 2016-2018 alsnog belast. Omdat het verzamelinkomen over 2019 € 59.423 bedroeg, vorderde de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebondenbudget, de zorgtoeslag en de huurtoeslag van ongeveer € 8.000 terug. Mevrouw X ging in beroep. Rechtbank Rotterdam stelde haar in het gelijk. De omzetting van geldlening naar een uitkering om niet, het zogenoemde “papieren inkomen”, was niet opgenomen in de lijst van uitzonderingen voor de huurtoeslag, zorgtoeslag en het kindgebondenbudget, zodat de toeslaginspecteur terecht geen mogelijkheid had gehad om een inkomensbestanddeel buiten beschouwing te laten. Volgens de Rechtbank had de toeslaginspecteur echter ten onrechte geen gevolg gegeven aan de uitspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019 waarin was beslist dat onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kon worden afgezien of het terug te vorderen bedrag kon worden gematigd, ook als die omstandigheden al bij de vaststelling van de toeslag aan de orde konden komen. Op grond van artikel art. 3:4, lid 2, Awb mochten de nadelige gevolgen van dat besluit voor een belanghebbende namelijk niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. De Rechtbank besliste dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de terugvordering van toeslagen meer mogelijkheden moest krijgen om in individuele gevallen maatwerk te leveren waarbij kennelijk het Verzamelbesluit Toeslagen ten onrechte beperkend werkte. Het terugvorderen stond volgens de Rechtbank in dit geval gelet op de bijzondere feitelijke situatie niet in evenredige verhouding tot de gevolgen voor mevrouw X. Zij had immers in 2019 geen inkomen van € 59.423 maar een feitelijk besteedbaar inkomen genoten van € 13.233. De terugvordering van bijna € 8.000 was volgens de Rechtbank onevenredig met het besteedbaar inkomen van € 13.233. Juist in deze situatie was het wrang dat dan van mevrouw X werd teruggevorderd. De oorzaak van de wijzing van het (verzamel) inkomen van mevrouw X en het feitelijk inkomen van € 13.233 had de inspecteur volgens de Rechtbank moeten aanmerken als een bijzondere omstandigheid. De Rechtbank verklaarde het beroep van mevrouw X gegrond en besliste dat de toeslagen over 2019 niet van mevrouw X konden worden teruggevorderd. 

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.