Op 2 januari aan oplichter overgemaakte € 100.000 belast in box 3

Datum: 23 juli 2021

X had op 1 januari 2017 een geldleningsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij per dezelfde datum € 100.000 uitleende aan BV A en/of D. Een dag later maakte hij het bedrag van € 100.000 over. Volgens de overeenkomst zou het bedrag op 7 februari 2017 worden afgelost inclusief een vergoeding van € 10.000. Kort na 2 januari 2017 bleek dat sprake was van fraude en dat het bedrag niet zou worden terugbetaald. De inspecteur nam bij het opleggen van de aanslag IB 2017 het uitgeleende bedrag van € 100.000 in aanmerking in box 3. X ging in beroep en stelde dat hij was opgelicht voor € 100.000 en het daarom onredelijk was dat hij daarnaast nog werd belast voor € 1.200 terwijl er geen rendement was. Volgens X was er sprake van een individuele en buitensporige last en was de heffing daarom in strijd met artikel 1 EP EVRM. X wees hierbij op het SNS-aandelenarrest van 6 april 2018 (zie FutD 2018-0964 met ons commentaar) en op de daarbij door Advocaat-Generaal Niessen uitgebrachte conclusie. Rechtbank Noord-Nederland stelde X in het ongelijk. De Rechtbank stelde voorop dat de wetgever ter zake van fiscale regelgeving een ruime beoordelingsvrijheid toekwam ten aanzien van de middelen om het algemeen belang te dienen. Door de peildatumsystematiek werden grote stijgingen en dalingen in de rendementsgrondslag van de belastingplichtige voor de bepaling van de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing niet gedempt. Dit kon voor belastingplichtigen zowel voordelig als nadelig uitpakken. Volgens de Rechtbank had de wetgever met het systeem van rendementsheffing waarbij 1 januari van een kalenderjaar als peildatum gold de hem toekomende beoordelingsmarge niet overschreden. Het bedrag van € 100.000 stond op 1 januari 2017 op de bankrekening van X en behoorde daarmee tot zijn bezittingen zodat deze € 100.000 tot de rendementsgrondslag moest worden gerekend. De Rechtbank verwierp de stelling van X dat sprake was van een individuele en buitensporige last. Bij de beoordeling of daarvan sprake was moesten de gevolgen van de box 3-heffing worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Daarbij was het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt. X had volgens de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake was van een individuele en buitensporige last. Hij had een inkomen uit werk en woning van € 48.130 en beschikte daarnaast nog over andere vermogensbestanddelen in box 3 met een totale waarde van € 166.928 (exclusief de betreffende € 100.000). De situatie uit het SNS-aandelenarrest was niet vergelijkbaar met die van X, aangezien in dat arrest sprake was van onteigening van vermogensbestanddelen en de belanghebbende in die zaak met zijn inkomen onder de armoedegrens zou komen als hij over de waarde van de onteigende vermogensbestanddelen tóch belasting zou moeten betalen. In het geval van X was niet aannemelijk dat betaling van de belasting over deze € 100.000, gelet op zijn inkomens- en vermogenspositie, voor X tot een buitensporige last leidde.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.