Profbasketbalclub geen uitzondering op referentiemaand voor NOW-3

Datum: 20 juli 2021

Basketbalclub X speelde in de Dutch Basketball League, het hoogste niveau waarin een Nederlandse basketbalclub kon uitkomen. De competitie werd gespeeld van oktober tot en met mei. Spelers, trainers en coachende staf waren in loondienst bij X en hadden doorgaans tijdelijke contracten voor de duur van het basketbalseizoen. In de maand juni waren zij veelal dus niet in loondienst van X. Vanwege de maatregelen van de overheid ter bestrijding van het coronavirus kon X in oktober, november en december 2020 geen wedstrijden spelen. Zij vroeg om een tegemoetkoming op grond van de NOW-3 voor haar loonkosten in die maanden. Het UWV ging bij de berekening daarvan uit van de loonsom in het aangiftetijdvak juni 2020. X maakte bezwaar en stelde dat zij juist in de maand juni 2020 minder loonkosten had gemaakt dan in de rest van het jaar. Zij vroeg het UWV om september of oktober 2020 als referentiemaand voor de loonkosten te nemen. Het UWV wees het bezwaar af, waarop X in beroep ging. Rechtbank Noord-Nederland stelde het UWV echter in het gelijk. De mogelijkheid om een andere maand dan juni 2020 als toepasselijk tijdvak te nemen gold alleen voor het geval dat er geen loongegevens over het tijdvak juni 2020 bekend waren. De Rechtbank zag in het feit dat de minister van SZW de NOW-1 had aangepast voor seizoensbedrijven geen aanleiding om de NOW-3 anders uit te leggen. De minister had er juist expliciet voor gekozen om in de NOW-3 geen aparte regeling op te nemen voor seizoensbedrijven of andere werkgevers met een hogere loonsom in de meetperiode dan in de referentieperiode, om de uitvoerbaarheid van de regeling te bevorderen en om te voorkomen dat er onwenselijke prikkels uitgingen naar overige ondernemers. De NOW-3 had noodgedwongen een generiek karakter, waarbij maatwerk niet steeds mogelijk was. De NOW-3 had niet als doel om een alomvattende regeling te bieden om alle bedrijven te redden. Hoewel de NOW-3 voor sommige werkgevers, zoals X, minder voordelig kon uitpakken omdat zij een lagere subsidie ontvangen, betekende dat volgens de Rechtbank niet dat toepassing van de referentiemaand juni 2020 in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.