BTW-aftrek op woonruimte buitenlandse uitzendkrachten

Datum: 19 juli 2021

Uitzendbureau BV X stelde buitenlandse uitzendkrachten ter beschikking aan haar opdrachtgevers. De uitzendkrachten waren gedurende een bepaalde periode werkzaam op een specifieke werkplaats. Zij woonden in de EU maar de plaats van tewerkstelling lag doorgaans ver verwijderd (vaak meer dan 500 km) van hun woonplaats. BV X zorgde voor tijdelijk verblijf (de onderkomens) van deze uitzendkrachten in de buurt van de werkplaats en sloot hiervoor overeenkomsten met bungalowparken en bed & breakfasts. Zij bracht geen vergoeding voor de huisvesting in rekening aan de uitzendkrachten. BV X had de BTW, die aan haar in rekening werd gebracht door de aanbieders van de onderkomens, bij haar BTW-aangiften over 2012 tot en met 2015 in aftrek gebracht. De inspecteur corrigeerde echter de aftrek omdat dit volgens hem was uitgesloten op grond van artikel 1, lid 1, aanhef en letter c, BUA en legde over de betreffende jaren een naheffingsaanslag BTW op van € 35.075. BV X ging in beroep. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde haar in het gelijk. De Rechtbank wees op een arrest van 13 november 2020 waarin de Hoge Raad had beslist dat de keuze om bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst gebruik te maken van een door de werkgever gehuurd onderkomen, in het algemeen een persoonlijke keuze was van degene die met die werkgever de arbeidsovereenkomst sloot en het in het kader van die arbeidsovereenkomst betrekken van dat onderkomen daarom diens privédoeleinden diende. Dit nam volgens de Hoge Raad echter niet weg dat zich gevallen konden voordoen waarin een werkgever personeelsleden gebruik liet maken van door hem gehuurde onderkomens omdat het bedrijfsbelang dat vereiste. Dat was het geval als het huren van deze onderkomens primair werd opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming en de betrokken personeelsleden de hun aangeboden onderkomens aanvaardden, zonder dat hun daarbij ruimte werd gelaten voor een eigen keuze voor een bepaald onderkomen of met betrekking tot het medegebruik ervan door een of meer anderen. De vraag was of daarvan in dit geval sprake was. Gemiddeld kwam 75% van de uitzendkrachten van BV X uit het buitenland, waren de lonen van de buitenlandse uitzendkrachten gelijk aan die van binnenlandse uitzendkrachten en moest BV X bovendien meer kosten maken in de vorm van kosten voor de onderkomens. De Rechtbank vond het daarom aannemelijk dat de situatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zodanig was dat BV X genoodzaakt was buitenlandse arbeidskrachten te werven zodat sprake was van een bijzondere omstandigheid. Daaraan deed niet af dat BV X wellicht meer Nederlandse arbeidskrachten zou kunnen aantrekken als het loon hoger was. Ook was aannemelijk dat het huren van de onderkomens voor de buitenlandse arbeidskrachten primair werd opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming. Juist omdat BV X bereid was de kosten voor huisvesting op zich te nemen, zonder daartoe verplicht te zijn, was dat een zwaarwegende aanwijzing dat het aanbieden van die mogelijkheid werd gevormd door de bijzondere behoefte om buitenlandse arbeidskrachten aan te (kunnen) trekken. Dat volgens de inspecteur het aanbieden van een onderkomen een aantrekkelijke arbeidsvoorwaarde was, waardoor arbeidskrachten eerder geneigd waren te kiezen voor BV X dan voor een concurrent die daar niet in voorzag, was volgens de Rechtbank niet relevant. Het BUA was niet van toepassing op de huur van de onderkomens en de Rechtbank vernietigde daarom de naheffingsaanslag.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 17-09-2021