Interen op vermogen door IB-heffing indicatie voor buitensporige last

Datum: 2 juli 2021

De aanslagen IB 2016 en IB 2017 van de in 1928 geboren mevrouw X waren overeenkomstig haar aangiften opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 14.444 en € 14.754, en belastbare inkomens uit sparen en beleggen van respectievelijk € 6.522 en € 6.081. Mevrouw X was het niet eens met de heffing in box 3. Door de verhouding tussen de renteopbrengsten (€ 1.499 in 2016 en € 667 in 2017) en de volgens de wet verschuldigde belasting, was volgens haar sprake van een individuele en buitensporige last. Rechtbank Zeeland-West-Brabant en Hof Den Bosch stelden haar in het ongelijk. Rekening houdend met het belastbare inkomen uit werk en woning van € 14.444, de aanwezigheid van een eigen woning zonder hypotheekschuld en de opbrengst van haar vermogen, kon volgens het Hof niet worden gezegd dat mevrouw X in 2016 werd geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing in box 3. Het Hof verwierp wel het standpunt van de inspecteur dat voor het jaar 2017 alleen beoordeeld mocht worden of mevrouw X werd geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en dat de vraag of sprake was van schending van artikel 1 EP op stelselniveau alleen beantwoord kon worden in de geselecteerde procedures die waren aangewezen in het kader van massaal bezwaar. De box 3-heffing vanaf 2017 was volgens het Hof op stelselniveau niet in strijd met artikel 1 EP, en mevrouw X werd over 2017 niet geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing in box 3. Het Hof verklaarde het hoger beroep ongegrond. Mevrouw X ging in cassatie. De Hoge Raad verklaarde haar cassatieberoep gegrond. Het Hof was er terecht van uitgegaan dat het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019 over jaren 2013 en 2014 ook gold voor 2016 en de box 3-heffing op stelselniveau daarom niet tot vernietiging of verlaging van de aanslag IB 2016 kon leiden. De beslissing van het Hof dat de rechter in een procedure zoals die van mevrouw X in volle omvang moest beoordelen of de aanslag juist was omdat de wetgever in de bepalingen over massaal bezwaar geen van de Awb afwijkende regeling had getroffen, was echter onjuist. Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 2 juli 2021 volgde dat het Hof niet bevoegd was te beslissen dat de box 3-heffing op stelselniveau niet in strijd was met artikel 1 EP. De beslissing van het Hof dat bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing werd geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moest de rechter die heffing bezien in samenhang met de hele financiële situatie van de betrokkene. De rechter moest bij dat onderzoek alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken, zoals volgde uit een arrest van 29 mei 2020. In een geval als dat van mevrouw X, waarbij de vraag aan de orde was of de heffing van IB leidde tot een individuele en buitensporige last wanneer de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger was dan het werkelijke rendement, moest ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen had dat hij op zijn vermogen moest interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kon immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogde waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moest interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kon de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteerde een aanwijzing zijn dat hij door die heffing werd geconfronteerd met een buitensporige last. Het Hof had dit niet onderzocht. De Hoge Raad verwees de zaak naar Hof Arnhem-Leeuwarden voor een nader onderzoek naar de vraag of de box 3-heffingen voor mevrouw X een individuele en buitensporige last vormde.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 23-09-2022