Belgische bestuurdersbeloning grotendeels onder vrijstellingsmethode

Datum: 9 juni 2021

X woonde in 2014 in Nederland en was statutair bestuurder van BV A in Nederland, NV B in België en C SASU in Frankrijk. Hij verrichtte voor alle drie de vennootschappen bestuurdersactiviteiten en ontving daarvoor beloningen. In zijn aangifte IB claimde X voor de beloningen van NV B een aftrek elders belast in box 1 op basis van de vrijstellingsmethode voor een bedrag van € 660.340, maar de inspecteur verleende een aftrek elders belast van € 94.599 op basis van de verrekeningsmethode. X ging in beroep en stelde dat de belastingheffing over bestuurdersbeloningen in België niet in begunstigende zin afweek van de belastingheffing van de inkomsten van buitenlandse werknemers die in België werkzaamheden verrichtten. Hij had daarom gelet op doel en strekking van het besluit van 18 juli 2008 net als een buitenlandse werknemer recht op de vrijstellingsmethode voor de beloningen van NV B. Rechtbank Den Haag besliste dat de vrijstellingsmethode van toepassing was voor het deel van de bestuurdersbeloning dat in België in de belastingheffing was betrokken. Dit volgde uit het vereiste uit het besluit dat de beloning in de andere lidstaat in de belastingheffing was betrokken. X had recht op de vrijstellingsmethode voor een bedrag van € 201.860, de bestuurdersbeloning van NV B. Dat bedrag was daadwerkelijk in België in de grondslag begrepen en daarover was van X door België een belasting naar het inkomen geheven. Ook met betrekking tot de in 2009 door NV B aan X toegekende warrants, waarvan het genietingstijdstip volgens Nederlandse maatstaven het jaar 2014 was, had X recht op toepassing van de vrijstellingsmethode voor een bedrag van € 212.700. Het besluit stelde niet de eis dat de buitenlandse directeursbeloning in hetzelfde jaar als waarin de belastingheffing in Nederland plaatsvond in België in de belastingheffing moest zijn betrokken. Ook ten aanzien van de warrants kon worden aangenomen dat de belastingheffing daarover niet in begunstigende zin afweek van de belastingheffing van (arbeids)inkomsten van buitenlandse werknemers die in België werkzaamheden verrichtten. Alleen met betrekking tot een bedrag van € 16.744 ter zake van een auto van de zaak van NV B had X niet aangetoond dat deze beloning in de Belgische belastingheffing was betrokken en niet in begunstigende zin afweek. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021