Pensioenfonds niet vrijgesteld van BTW; voorbelasting aftrekbaar

Datum: 8 juni 2021

Bedrijfstakpensioenfonds X was verantwoordelijk voor de uitvoering van de pensioenregelingen van (voormalig) werknemers van ongeveer 5.000 werkgevers. De uit te voeren pensioenovereenkomsten werden gesloten in het kader van de arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer. De werkgevers waren gebonden aan het door X opgestelde pensioenreglement. X had het pensioenbeheer aan Y uitbesteed. Y stuurde in het vierde kwartaal van 2017 nota’s aan X, waarbij in totaal bijna € 260.000 aan BTW in rekening was gebracht. X bracht die voorbelasting in aftrek, maar de inspecteur ging daar niet mee akkoord omdat X volgens hem verzekeringshandelingen verrichtte, die op grond van artikel 11, lid 1, onderdeel k, Wet OB waren vrijgesteld van BTW. X ging in beroep en stelde dat zij een voor de BTW belaste pensioenuitvoeringsdienst aan de werkgevers verrichtte, die niet kwalificeerde als verzekeringshandeling. Rechtbank Noord-Nederland stelde X in het gelijk. De Rechtbank las in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet OB geen directe argumenten voor de stelling van de inspecteur dat ook activiteiten ten aanzien van pensioenverzekeringen onder de vrijgestelde verzekeringshandelingen vielen. Daaruit bleek wel dat bij invoering van de vrijstelling was aangevoerd dat deze geen bezwaar was in die zin, dat de voorbelasting die drukte op verzekeringsprestaties betrekkelijk gering was. Gelet op het cijfermatige belang van X bij (alleen al) dit beroep ging dit volgens de Rechtbank voor haar niet op en daaruit kon worden afgeleid dat de wetgever (kennelijk) niet het oog had gehad op de prestaties van X. Ook zag de Rechtbank een verband in wat in de literatuur was opgeworpen, namelijk dat de BTW-vrijstelling voor verzekeringshandelingen was ingevoerd in verband met de heffing van assurantiebelasting. Aangezien de activiteiten van X waren vrijgesteld voor de assurantiebelasting, zag de Rechtbank ook daarin een aanwijzing dat de activiteiten van X niet waren vrijgesteld van BTW. Anders dan Rechtbank Noord-Holland onlangs had beslist vielen de activiteiten van X volgen de Rechtbank niet onder de in de Europese jurisprudentie ontwikkelde definitie van de vrijstelling voor verzekeringen omdat er geen direct juridisch verband was tussen X en de veronderstelde verzekeringsnemers. De Rechtbank verklaarde het beroep van X gegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021