Overheidsbedrijf recht op aftrek van in 2016 geleden liquidatieverliezen op deelnemingen

Datum: 8 juni 2021

Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij voor Noord-Nederland (NOM NV) werd per 1 januari 2016 belastingplichtig voor de Vpb in verband met de inwerkingtreding van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen. NOM NV bezat op 1 januari 2016 45,9% van de aandelen in BV X en 45% van de aandelen in BV Y. De historische kostprijs van de aandelen in deze BV’s bedroeg respectievelijk € 5.119.888 en € 350.000. In 2016 werden de beide BV’s formeel geliquideerd en vereffend. Er waren geen liquidatie-uitkeringen gedaan en de activiteiten waren niet voortgezet door NOM of een met haar verbonden partij. In haar aangifte Vpb 2016 gaf NOM een belastbare winst aan van negatief € 4.680.959, waaronder de liquidatieverliezen van BV X en BV Y in de zin van artikel 13d Wet Vpb van in totaal € 5.469.888. De inspecteur schrapte de aftrek van het liquidatieverlies. De verliezen van de in 2016 geliquideerde ondernemingen waren materieel vóór 2016 geleden en konden toen niet in aanmerking worden genomen omdat NOM NV nog niet Vpb-plichtig was. Het alsnog aftrekken van het liquidatieverlies was volgens de inspecteur dermate in strijd met een redelijke wetstoepassing, dat doel en strekking van die regeling moesten prevaleren boven een grammaticale interpretatie van de Wet Vpb. NOM NV ging in beroep en stelde dat de liquidatieverliesregeling van artikel 13d Wet Vpb onverkort van toepassing was omdat zij per 1 januari 2016 in verband met een wetswijziging belastingplichtig was geworden voor de Vpb. Op grond van die regeling gold volgens haar dat het opgeofferde bedrag van de twee in 2016 geliquideerde ondernemingen moest worden vastgesteld op de historische kostprijs.

Rechtbank Noord-Nederland stelde NOM NV in het gelijk. Uit de onverkorte toepassing van artikel 13d, lid 2, Wet Vpb (tekst 2016) volgde dat het liquidatieverlies € 5.469.888 bedroeg. In artikel 13d, lid 9, Wet Vpb (tekst 2016) was verder dwingend, en in afwijking van het goed koopmansgebruik, voorgeschreven op welk tijdstip een liquidatieverlies in aftrek mocht worden genomen, te weten: op het tijdstip dat de vereffening was voltooid. Aangezien dat in 2016 was, kon op grond van de genoemde wetsbepalingen in 2016 een liquidatieverlies van € 5.469.888 in aanmerking worden genomen. In de wetsgeschiedenis waren volgens de Rechtbank geen aanknopingspunten te vinden voor de door inspecteur bepleite afwijking van deze wetsbepalingen. De door hem gestelde spanning tussen de wettekst en doel en strekking van de liquidatieverliesregeling in een geval als dit vond haar oorzaak niet zozeer in de toepassing van die regeling, maar veeleer in de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen. NOM NV was namelijk op grond van die wet per 1 januari 2016 belastingplichtig geworden voor de Vpb. Daarbij was echter met betrekking tot het daarmee (ook) van toepassing worden van de liquidatieverliesregeling geen overgangsrecht opgenomen en daarover was ook niets vermeld in de wetsgeschiedenis. Ook overigens zag de Rechtbank in de wetgeving geen aanknopingspunten voor een afwijking van de (letterlijke) wettekst inzake de liquidatieverliesregeling zoals de inspecteur stelde. Bij de totstandkoming van de Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen was volgens de Rechtbank wel enige aandacht besteed aan (het tegengaan van) mogelijke incidentele fiscale voordelen in verband met het ontstaan van de belastingplicht, maar dat was volgens de Rechtbank beperkt tot een paar onderwerpen. Volgens de Rechtbank had de wetgever welbewust niet voorzien in overgangsrecht voor andere onderwerpen, waaronder de liquidatieverliesregeling. De Rechtbank verklaarde het beroep van NOM NV gegrond en verminderde de aanslag Vpb 2016 tot nihil en stelde het verlies voor 2016 vast op € 4.680.959.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021