Navorderingsaanslag over tegoed Panamees bedrijf voortvarend genoeg opgelegd aan haar DGA

Datum: 7 juni 2021

X meldde op 4 juni 2014 bij de Belastingdienst dat hij beschikte over een niet eerder aangegeven Luxemburgse bankrekening met een tegoed van ongeveer € 2,2 mln. Op 25 juni 2014 verstuurde de inspecteur een ontvangstbevestiging van de inkeermelding. Tussen oktober 2014 en januari 2016 vroeg de inspecteur verschillende keren om nadere gegevens en informatie. X reageerde telkens op deze verzoeken en verstrekte daarbij informatie. Daaruit bleek dat X drie rekeningen bezat bij BNP Paribas bank te Luxemburg. Eén daarvan stond op naam van A Inc, opgericht naar Panamees recht. X was enig aandeelhouder van A Inc en economisch gerechtigd tot de bankrekening. Op 16 juni 2016 ontving de inspecteur voor de laatste keer aanvullende stukken en informatie van X, waarna hij op 23 december 2016 navorderingsaanslagen IB over 2001 tot en met 2003 oplegde en in februari 2017 navorderingsaanslagen IB 2004 tot en met 2012 en 2014. X ging in beroep en stelde dat de inspecteur na ontvangst van de laatste informatie op 16 juni 2016 met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB 2001 tot en met 2011 niet voldoende voortvarend had gehandeld, en die navorderingen daarom moesten worden vernietigd. De inspecteur was het daar niet mee eens en voerde aan dat hij op 12 september 2016 een e-mail had verstuurd aan een collega over de toerekening van de vermogensbestanddelen op naam van A Inc aan X. Naar aanleiding daarvan was het dossier overgedragen aan een andere collega voor de verdere afhandeling. Rechtbank Zeeland-West-Brabant handhaafde de navorderingsaanslagen. Volgens de Rechtbank had de inspecteur met de e-mailcorrespondentie aannemelijk had gemaakt dat op of omstreeks 12 september 2016 overleg had plaatsgevonden over de vraag hoe de betrokkenheid van X bij A Inc in de navorderingsaanslagen moest worden betrokken, zodat niet kon worden gezegd dat er sprake was van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. Daaraan deed niet af dat sprake was van een interne mail. Ook het verzenden van een interne mail en het voorleggen van vragen aan een collega waren aan te merken als een werkzaamheid van de inspecteur. De inspecteur was hierbij actief met het dossier van X bezig geweest en van onverklaarbaar stilzitten was volgens de Rechtbank dus geen sprake. De inspecteur had bij het opleggen van de navorderingsaanslagen voldoende voortvarend gehandeld. De Rechtbank handhaafde de met de verlengde navorderingstermijn opgelegde aanslagen.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021