Gecombineerde heffingskorting teruggenomen door belastingkorting partner

Datum: 7 juni 2021

Mevrouw X had over 2014 een negatief inkomen uit werk en woning van € 26.184. Zij had geen inkomen in box 2 en 3. In haar aangifte IB 2014 gaf zij aan dat zij voldeed aan de uitbetaling van heffingskorting(en) en vermeldde € 134.519 aan drempelinkomen van haar fiscale partner Y met een verschuldigd bedrag aan IB van € 61.431. Bij haar aanslag kreeg mevrouw X een gecombineerde heffingskorting van € 5.121. Aan Y was over 2014 een ambtshalve aanslag opgelegd met een te betalen bedrag aan IB van € 63.164 in verband met inkomen in box 1 van € 134.419. Door een beschikking uit 2011 naar aanleiding van het verzoek van Y om omzetting van zijn verlies uit aanmerkelijk belang in een belastingkorting van € 644.085 kwam Y over 2014 per saldo uit op een verschuldigd bedrag aan IB van nihil. Naar aanleiding van de verrekening van de belastingkorting bij Y legde de inspecteur aan mevrouw X een navorderingsaanslag op van € 5.121 met € 658 aan belastingrente. Mevrouw X ging in beroep en stelde primair dat de inspecteur geen nieuw feit had omdat hij door de beschikking van de belastingkorting in 2011 al wist van de belastingkorting van Y. Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelde haar in het ongelijk. Hof Den Bosch besliste op het hoger beroep van mevrouw X dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de aanslagregelaar bekend was met de beschikking heffingskorting aan Y. De niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat Y het inkomen had genoten dat in de aangifte was vermeld. Bovendien was de inspecteur niet verplicht om het dossier van Y te raadplegen. De inspecteur had geen ambtelijk verzuim begaan. Het Hof verwierp vervolgens de stelling van mevrouw X dat de door Y genoten belastingkorting niet moest worden aangemerkt als een vermindering van door Y over 2014 verschuldigde belasting, maar als aflossing van een vordering die Y op de Belastingdienst had. Volgens het Hof beschouwde de wetgever een belastingkorting als een vermindering van de verschuldigde inkomensheffing op inkomen uit werk en woning die doorwerkte naar de regeling van artikel 8.9 Wet IB 2001. Het Hof besliste dat mevrouw X geen recht had op de gecombineerde heffingskorting en verklaarde haar hoger beroep ongegrond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021