Definitie zaakstukken 8:42 Awb volgens Rechtbank niet meer van deze tijd

Datum: 4 juni 2021

Toen BV X in beroep ging tegen (navorderings)aanslagen Vpb over 2009-2014 overlegde de inspecteur een grote hoeveelheid op de zaak betrekking hebbende stukken, maar beriep zich voor een groot aantal stukken op geheimhouding ex artikel 8:29 Awb. De artikel 8:29-stukken leverde hij aan in een gesloten verhuisdoos met 9 ordners met daarbij een index. De geheimhoudingskamer van Rechtbank Noord-Nederland stelde de inspecteur grotendeels in het gelijk. De grote hoeveelheid door de inspecteur aangeleverde zaakstukken kon volgens de Rechtbank zowel te maken hebben met de uit de jurisprudentie volgende ruime opvatting van wat op de zaak betrekking hebbende stukken waren, als ook met de nadrukkelijke verzoeken van BV X om overlegging van diverse soorten stukken. Volgens de Rechtbank kreeg deze combinatie in het huidige tijdperk, waarin een veelheid aan gegevens gemakkelijk digitaal kon worden opgeslagen, een eigen dynamiek. Hierbij wees de Rechtbank op het integraal overleggen van mails met bijlagen waarin door belastingdienstambtenaren – via “wijzigingen bijhouden” – gezamenlijk aan concept-stukken werd gewerkt. Aan de toegevoegde waarde van (de verplichting tot) overlegging van dergelijke concipiërende e-mails kon volgens de Rechtbank worden getwijfeld, omdat het uiteindelijke product van die gezamenlijke inspanningen – bijvoorbeeld een controlerapport, vragenbrief of uitspraak op bezwaar – immers door de inspecteur als 8:42-stuk zou worden overgelegd. Bij dergelijk concipiërend mailverkeer kon volgens de Rechtbank de vraag worden gesteld of de met overlegging (door de inspecteur) en raadpleging (door de geheimhoudingskamer) daarvan gemoeide tijd opwoog tegen de uiteindelijke relevantie daarvan voor het belastinggeschil. Het aspect van het tijdsbeslag klemde des te meer als de inspecteur met betrekking tot dergelijke stukken vervolgens met succes een beroep kon doen op de geheimhouding. De Rechtbank besliste vervolgens dat geheimhouding van de in de ordners opgenomen bijlagen gerechtvaardigd was. De inspecteur had voor het geheimhouden van deze bijlagen strategische redenen en/of het recht op intern overleg aangevoerd. De Rechtbank vond het belang van de inspecteur bij de mogelijkheid om intern overleg en strategisch beraad te voeren in dit geval zwaarwegender dan het belang van BV X bij kennisneming van deze bijlagen. Na het raadplegen van de inhoud van deze bijlagen zag de Rechtbank geen verband met de door BV X aangevoerde beroepsgronden over het vertrouwensbeginsel en/of de aanwezigheid van een ambtelijk verzuim. De Rechtbank merkte daarbij op dat een aanzienlijk deel van de in de ordners opgenomen bijlagen zag op de genoemde concipiërende e-mails over de totstandkoming van stukken die in hun definitieve vorm ongeschoond door de inspecteur waren overgelegd. Met betrekking tot vijf stukken vond de Rechtbank het belang van BV X bij kennisneming zwaarder wegen dan het belang bij geheimhouding door de inspecteur. De inspecteur moest deze stukken in hun geheel of met weglakking van de aangegeven passages, aan BV X bekendmaken. De Rechtbank stelde de inspecteur in de gelegenheid om schriftelijk mee te delen welke consequenties hij aan deze beslissing van de Rechtbank verbond.

Om dit artikel te kunnen delen op sociale media dien je marketing-cookies te accepteren.

Viditax 11-06-2021